|
Ministerie van Justitie a
Aan de Koningin
Directie Wetgeving
5245796/03/6
17 september 2003
Nader rapport inzake het Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht, de
Politiewet 1993 en enige andere wetten in verband met de invoering van een identificatieplicht van burgers ten opzichte van ambtenaren van politie aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak en van toezichthouders (Wet op de uitgebreide identificatieplicht).
Blijkens mededeling van de Directeur van uw Kabinet van 19 mei 2003, 03.002080, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen en in afschrift toe zenden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Het advies van de Raad van State, gedateerd 8 juli 2003, doe
ik u hierbij toekomen.
1. De regering heeft er met genoegen van kennis genomen dat de Raad de strekking van het wetsvoorstel
onderschrijft. De Raad merkt op dat het wetsvoorstel een uitbreiding van de bestaande
identificatieplichten bevat en voortvloeit uit het beleidsplan "Naar een veiliger
samenleving".
De voorbereiding van dit wetsvoorstel is inderdaad in het beleidsplan genoemd, doch de beslissing tot
voorbereiding daarvan is genomen ter uitvoering van het Strategisch akkoord 2002; deze beslissing is
bevestigd in het Hoofdlijnenakkoord 2003. Deze precisering is van belang in verband met de
opmerking van de Raad in het voetspoor van zijn eerdere advies over het wetsvoorstel incidentele identiteitscontroles en de Wet op de identificatieplicht
die in op 1 juni 1994 in werking is getreden.
Hierbij gaf de Raad te kennen dat niet vaststaat dat de aanwezigheid van een
"pressing social need" bij een algemene identificatieplicht moeilijker te motiveren valt dan bij een beperkte
identificatieplicht. De Raad is van oordeel dat er sprake is van een ontwikkeling op weg naar een algemene identificatieplicht, mede in het
licht van de invoering van nieuwe beperkte identificatieplichten sinds 1994. De Raad vraagt aandacht voor mogelijke ambivalentie in de toelichting over de
reikwijdte van de identificatieplicht.
De regering blijft van oordeel dat dit wetsvoorstel geen algemene identificatieplicht behelst. Een
voorbeeld van een algemene identificatieplicht is bij voorbeeld de Belgische, die inhoudt dat alle houders van een
identiteitskaart (alle Belgen die de leeftijd van vijftien jaar hebben bereikt) dit
document moeten overleggen bij elke vordering van de politie, elke aangifte, elke aanvrage van getuigschriften en
aan de gerechtsdeurwaarder die belast is met de betekening van een exploit.
In Frankrijk bestaat een identificatieplicht die is opgenomen in de Code de
procédure pénal ten behoeve van de strafvordering, maar daarnaast ook een identificatieplicht ten
behoeve van het voorkomen van inbreuken op de openbare orde. De officier van justitie kan opdracht geven tot het houden van systematische
identiteitscontroles, waarbij zonder specifieke aanleiding in het gedrag van alle burgers (zonder leeftijdsgrens) naar een
identiteitsbewijs mag worden gevraagd. Deze identificatieplichten zijn aanzienlijk ruimer dan de thans
voorgestelde. Het wetsvoorstel impliceert weliswaar een algemene draagplicht, maar deze kan niet in het
algemeen worden geactiveerd door alle opsporingsambtenaren en toezichthouders op willekeurige tijdstippen.
De uitoefening van de bevoegdheid tot het vragen naar een identiteitsbewijs is
gerelateerd aan de specifieke uitoefening van de functie van de opsporingsambtenaar of de toezichthouder. Voor zover een
burger niet kan voldoen aan de verplichting tot het inzage verlenen van zijn identiteitsbewijs,
zal in het proces-verbaal ook moeten worden opgenomen voor welk doel identificatie werd verlangd. Voor zover de
politieambtenaar of de controlerende ambtenaar niet kan aangeven dat hij handelt in het kader van
zijn taakuitoefening, bestaat er geen verplichting om aan de identificatieplicht
te voldoen.
De regering acht het met mr.G.J. Wiarda in 1987 onwenselijk dat de politie over een algemene bevoegdheid zou beschikken om
burgers die zich op de openbare weg bevinden zonder reden aan te houden om zich van
hun identiteit te vergewissen. In het verlengde hiervan ligt de afwijzing van zelfstandige
identiteitscontroles.
In de tweede plaats merkt de regering op dat er sinds 1994 wel nieuwe identificatieplichten zijn ingevoerd (bij voorbeeld op grond van de Drank- en
Horecawet en de Tabakswet) maar niet op zodanig grote schaal dat reeds daarom zou kunnen worden gesproken van een algemene identificatieplicht.
Het uitgangspunt van beperkte identificatieplichten, geregeld in specifieke materiewetten is daarbij
gehandhaafd. Wel is destijds bij de voorbereiding van de huidige wet op de identificatieplicht opgemerkt
dat inwerkingtreding tot gevolg zou hebben dat grote groepen van de bevolking bij het verlaten van de
woning over enig identiteitsbewijs zouden moeten beschikken, opdat zij het desgevraagd kunnen tonen.
Ook de bestaande bepalingen impliceren reeds
min of meer een draagplicht. Het niet voldoen aan de draagplicht wordt evenwel niet afzonderlijk gesanctioneerd, doch wel het in het concrete geval
niet voldoen aan de toonplicht. De verwijzingen naar de invoering van een algemene identificatieplicht in de
toelichting zijn ter wegneming van mogelijke inconsistenties verwijderd.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad dat uit empirisch materiaal zou moeten kunnen blijken welk
effect van de regeling te verwachten is op de bestrijding van de criminaliteit en het verbeteren van de
rechtshandhaving, stelt de regering vast dat zodanig materiaal nu niet aanwezig is. Ook op basis
van bestaande gegevens valt een dergelijke prognose niet te geven. In de omringende landen waarin een ruimere
identificatieplicht reeds geruime tijd bestaat, zijn geen afzonderlijke evaluaties bekend.
Evenmin is daar afzonderlijke meting verricht naar het effect van de identificatieplicht op de
bestrijding van de criminaliteit of op de handhaving van de openbare orde; de regering is van oordeel – mede door afwezigheid
van substantiële jurisprudentie van het EHRM – dat het bestaan van de desbetreffende
bevoegdheid en verplichting in overeenstemming kan worden geacht met de vereisten van artikel 8 EVRM. Op nationaal niveau
bestaan weliswaar incidentele klachten over discriminerende toepassing in Frankrijk en België,
doch deze hebben niet tot procedures voor het EHRM geleid.
Gelet op het samenvallen van het uitvoeren van verschillende maatregelen die voortvloeien uit het
programma "Naar een veilige samenleving" zal ook met een zogenaamde nulmeting niet kunnen worden
vastgesteld welke concrete invloed bestaat op de omvang van de criminaliteit en de verbetering
van de handhaving.
2. De Raad adviseert na te gaan of tot een aanscherping van de normering van
de bevoegdheid voorgesteld in artikel 8a van de Politiewet kan worden gekomen. De regering meent dat de Raad terecht aandacht vraagt
voor dit punt, maar ziet gelet op het sterk uiteenlopende en brede karakter van de
verschillende politietaken geen mogelijkheid om in de tekst van de wettelijke bepaling een differentiatie aan te brengen
bij de uitvoering van die taken. Wel is de suggestie van de Raad tot uitbreiding van de toelichting met
voorbeelden opgevolgd.
Daarmee wordt tevens tegemoet gekomen aan de opmerking van
de Raad onder 1. dat niet voldoende duidelijk wordt gemaakt welk effect zal uitgaan van uitbreiding van de identificatieplicht voor de handhaving van de
openbare orde.
3 a. Naar aanleiding van het advies van de Raad om ofwel aan te sluiten bij de minimumleeftijd voor
vervolgbaarheid, ofwel nauwer aan te sluiten bij de leeftijdsgrens voor de identificatieplicht in ons
omringende landen, wijst de regering op het volgende. Uitbreiding van de verplichting tot het tonen van
een identiteitsbewijs heeft geen nut voor de minderjarigen beneden de twaalf jaar omdat zij niet
vervolgbaar zijn.
Voor jeugdigen vanaf twaalf jaar gelden er praktische bezwaren ten aanzien van de verplichting om een
identiteitskaart bij zich te dragen. Deze minderjarigen missen veelal de oplettendheid om de kaart bij
zich te dragen en lopen een groter risico om een dergelijke kaart te verliezen. Bij het toenemen van de
leeftijd gelden deze praktische bezwaren minder sterk. Ter motivering van de leeftijdsgrens van
veertien jaar, wijst de regering verder op het feit dat de overlast van jongeren op straat zich met name
manifesteert bij jeugdigen in de leeftijdscategorie tussen de vijftien en achtttien jaar.
Als de leeftijdsgrens op vijftien jaar wordt gesteld, zoals het geval is in België
en Luxemburg, dan ligt het voor de hand dat deze groep zich met een beroep op een jeugdiger leeftijd aan de identificatieplicht zal
proberen te onttrekken. Het ontbreekt de politie dan aan directe middelen om de feitelijke leeftijd te
verifiëren.
3 b. De Raad geeft in overweging om na te gaan om voor de categorie jeugdigen een identiteitsbewijs in te
voeren dat gemakkelijker kan worden gedragen en niet in aanmerking komt voor vervalsing of gebruik door
volwassenen. De regering acht de invoering van een dergelijk identiteitsbewijs overbodig, omdat jeugdigen
van twaalf jaar en ouder de beschikking kunnen krijgen over een Nederlandse identiteitskaart. Dit reis- en
identiteitsdocument heeft sedert 1 oktober 2001 een creditcardformaat, waardoor het gemakkelijk
is te dragen. Jeugdigen met de niet-Nederlandse nationaliteit worden, indien zij voldoen aan de voorwaarden
zoals gesteld in de Vreemdelingenwet 2000, vanaf twaalf jaar zelfstandig in bezit gesteld van een
Nederlands document voor vreemdelingen. Ook dit document heeft een creditcard-formaat.
Vervalsing of gebruik van deze documenten door volwassenen is praktisch uitgesloten, omdat de documenten enerzijds de
geboortedatum en een foto van de rechtmatige houder bevatten en anderzijds een zeer hoge graad van
beveiliging tegen vervalsen kennen. Het sedert 1 oktober 2001 ingevoerde nieuwe model van de Nederlandse
identiteitskaart is, voor zover tot op heden kan worden nagegaan, nog nimmer vervalst.
4 a. De Raad geeft in overweging meer aandacht te besteden aan de fraudebestendigheid van het rijbewijs.
De Raad merkt in dit verband op dat niet valt uit te sluiten dat naarmate aan het hebben van een
identiteitsbewijs meer betekenis toekomt, het aantal gevallen van vervalsing van deze documenten zal
toenemen.
Onmiskenbaar is dat er verschil is in de fraudebestendigheid van het Nederlandse paspoort, de Nederlandse
identiteitskaart en de op grond van de Vreemdelingenwet 2000 uitgegeven identiteitsdocumenten
enerzijds en het rijbewijs anderzijds. Niettemin is het rijbewijs ook in 1994 als geldig identiteitsbewijs ten behoeve
van het voldoen aan de identificatieplicht in enkele wetten erkend.
Bij de verruiming van deze erkenning bij gelegenheid van dit wetsvoorstel heeft zwaar gewogen
dat er een groot aantal rijbewijshouders is dat betrekkelijk eenvoudig aan de identificatieplicht kan voldoen omdat velen dit document reeds
nu al permanent bij zich dragen. Aanwijzing van de Nederlandse identiteitskaart (samen met het paspoort en de
bestaande vreemdelingendocumenten) betekent dat rijbewijshouders zouden worden verplicht over te gaan tot
de aanschaf van deze kaart en het bij zich dragen van twee documenten. Dit zou de acceptatie en de
invoering van de identificatieplicht niet ten goede komen.
In voorbereiding is nu het project dat tot doel heeft een nieuw rijbewijsdocument in te voeren in 2006
(het project Nieuw Rijbewijs) dat voldoet aan de tweede Europese Richtlijn die invoering van het
creditcard model en centrale aanmaak mogelijk maakt. De regering wil, zeker nog in
afwachting van de evaluatie van het wetsvoorstel indien dit tot wet wordt verheven, vasthouden aan de aanwijzing van het
rijbewijs als algemeen identiteitsbewijs. In dit project Nieuw Rijbewijs zal er rekening mee worden
gehouden dat het rijbewijs zeker voor de korte termijn tot 2008 ook als identiteitsbewijs zal moeten
dienen.
Uitzondering op de erkenning van het rijbewijs als toereikend identiteitsbewijs moet worden gemaakt indien
aannemelijk is dat voor de specifieke controle op de naleving van een wet niet met het rijbewijs kan
worden volstaan: de gevallen waarin tevens diens te worden gecontroleerd op nationaliteit en
rechtmatig verblijf in Nederland.
Wij stellen ons voor dat de tijd die zal verstrijken tussen inwerkingtreding van
het wetsvoorstel indien dat door het parlement wordt aanvaard, en de aangekondigde evaluatie na 2007 wordt benut voor het
onderzoek naar de mogelijkheid van aanwijzing van één afzonderlijk fraudebestendig
identiteitsbewijs (inclusief kosten).
Voor de door de Raad uitgesproken vrees dat invoering van het wetsvoorstel dat het rijbewijs als
identiteitsbewijs aanwijst, ertoe kan leiden dat meer fraude wordt gepleegd, is de regering minder
beducht. Het rijbewijs is nu ook reeds voor velen een fel begeerd document. Vast staat dat niet alle
personen die het rijbewijs graag willen hebben, aan de rijvaardigheidseisen kunnen voldoen.
Deze omstandigheid heeft er evenwel niet toe geleid dat op ruime schaal valse rijbewijzen in omloop zijn gebracht.
4 b. Evenals het geval is voor een aantal andere wetten die bij dit wetsvoorstel worden gewijzigd, geldt
voor een aantal bepalingen in belastingwetten dat identificatie niet kan geschieden aan de hand van
het rijbewijs. Dit blijft ook in de nieuwe opzet van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht
gehandhaafd. Anders dan de Raad van State kennelijk veronderstelt heeft deze bepaling geen primair fiscale
achtergrond. In het kader van het tegengaan van illegaal verblijf en in het kader daarvan illegale arbeid
in Nederland, is destijds bij de totstandkoming van de Wet op de identificatieplicht (Kamerstukken II
1991/92, 22694, nr. 3, blz. 5) besloten dat de Belastingdienst, tenzij sprake is van een persoon met de
nationaliteit van een van de bij de Europese Economische Ruimte (EER) aangesloten landen (de EU
lidstaten, IJsland en Liechtenstein), slechts een sociaal-fiscaalnummer afgeeft indien blijkt dat betrokkene beschikt over de juiste verblijfstitel of
de vreemdelingendienst met verstrekking instemt.
Aangezien het rijbewijs geen uitsluitsel geeft over de nationaliteit, is het rijbewijs hierbij
uitgesloten als identificatiemiddel. Om dezelfde reden is het rijbewijs uitgesloten als identificatiemiddel bij een aantal
bepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964 die betrekking hebben op de identificatie in de
relatie tussen werkgever en werknemer en daarmee vergelijkbare gevallen. Ook bij de brief van 4 juni 1991
(Kamerstukken II 1990/91, 22146, nr. 3) en van 9 oktober 1995 (Kamerstukken II 1995/96, 17 050,
nr. 196) is de Tweede Kamer destijds over een en ander geïnformeerd.
5. De Raad van State merkt op dat een toch al ruime bevoegdheid wordt toegekend aan een zeer ruime kring
van personen. Hij kan zich niet goed voorstellen dat ook hiervoor een
"pressing social need" bestaat en adviseert deze bevoegdheid alleen toe te kennen aan de algemene en
buitengewoon opsporingsambtenaren.
Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent aan toezichthouders reeds een algemeen pakket aan bevoegdheden toe.
Genoemd moeten worden het betreden van plaatsen, het vorderen van inlichtingen, de
bevoegdheid tot inzage in zakelijke gegevens en bescheiden en tot het maken van fotokopieën, het
onderzoeken van zaken en het nemen van monsters en het onderzoeken van vervoermiddelen. De regering acht de
bevoegdheid tot het vorderen van inzage in het identiteitsbewijs een logische aanvulling op dit pakket aan bevoegdheden, om daarmee de toezichthouder
zo volledig mogelijk toe te rusten voor zijn taak. Een beperking van deze uitbreiding door de toezichthouders hiervan uit te sluiten kan de
toezichthouder onnodig kwetsbaar maken.
De Raad van State plaatst vraagtekens bij de aanwezigheid van een "pressing
social need". De regering wijst in reactie hierop op de evidente noodzaak tot
verbetering van het toezicht bij de handhaving van regels. Hierin vervullen de toezichthouders een steeds belangrijkere rol. De regering wijst daarbij op
haar voornemen om, daar waar mogelijk, de bestuurlijke handhaving te versterken door de mogelijkheden van
bestuursdwang, dwangsom, intrekking van een begunstigend besluit en de bestuurlijke boete optimaal te
benutten. Bij een effectief toezicht op de naleving van regels is de veiligheid van de burger in
het geding. Dit geldt, direct of indirect, voor het gehele bestuurlijke toezicht.
Als voorbeeld kan worden genoemd het toezicht op de juiste uitvoering van bouw- en milieubesluiten. De
wenselijkheid identificatie te vragen doet zich vooral voor wanneer sprake is van een anonieme betrokkene
en zal daarom vooral bij het toezicht in de openbare ruimte toepassing kunnen vinden.
Benadrukt wordt nogmaals dat de toezichthouders op grond van artikel 5:13 Awb gebonden zijn aan het
evenredigheidsbeginsel.
Overigens wijst de regering op de mogelijkheid die door artikel 5:14 Awb wordt geboden om bij wettelijk
voorschrift of bij het aanwijzingsbesluit te bepalen dat een toezichthouder sommige bevoegdheden niet
bezit. Indien er zich gevallen zouden voordoen waarin de bevoegdheid voor toezichthouders
om naar identiteitsbewijzen te vragen geen toegevoegde waarde blijkt te hebben ten opzichte van de bestaande
bevoegdheden, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt. De regering zal bij de aangekondigde
evaluatie van 2007 eveneens aandacht besteden aan dit punt.
De toezichthouders hebben ten opzichte van de algemene en buitengewoon opsporingsambtenaren een andere
positie. Deze positie vloeit voort uit artikel 1:6, sub a, Awb waar is bepaald dat de Awb niet van
toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Door het onderscheid tussen
enerzijds de strafvorderlijke wetgeving, waarin de voorwaarden zijn aangegeven waaronder opsporingsbevoegdheden mogen
worden uitgeoefend, en de Awb anderzijds, mag een toezichthouder geen procesverbaal opmaken indien niet
wordt voldaan aan zijn vordering tot inzage van het identificatiebewijs. Artikel 152 van het Wetboek van
Strafvordering kent alleen aan algemene en bijzondere opsporingsambtenaren de bevoegdheid toe om
proces-verbaal op te maken.
Dit brengt mee dat de toezichthouder de bijstand moet inroepen van één van de dit artikel genoemde
ambtenaren, tenzij hij tevens is aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar. Het bestaande stelsel, waarbij voor het
verbaliseren van strafbare feiten de hulp van de politie moet worden ingeroepen, blijft
hiermee in stand. De uitdrukkelijke bevoegdheid voor toezichthouders om naar identiteitsbewijzen te vragen
doet geen afbreuk aan het bestaande stelsel waarin strafvorderlijke dwangmiddelen voorbehouden
blijven aan de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren.
Verder wijst de regering op de voorwaarde dat een
toezichthouder slechts van zijn bevoegdheid gebruik mag maken, indien daarvoor een redelijke aanleiding in
het kader van haar taakuitoefening aanwezig is. Dit betekent dat de bevoegdheid samenhangt met de
specifieke uitoefening van de functie van de toezichthouder. Hierdoor acht de regering de toekenning van
deze bevoegdheid aan toezichthouders niet dermate ingrijpend dat hiertoe, gelet op
het gewichtige belang dat hiermee gediend is, niet zou moeten worden overgegaan.
6. Aan de suggestie van de Raad tot verduidelijking van de verhouding tussen
de nieuwe uitgebreide identificatieplicht en de reeds bestaande identificatieplichten in de bijzondere wetten is gevolg gegeven. In de
artikelsgewijze toelichting is beschreven welke plichten worden aangepast aan het nieuwe artikel
5:16a Awb. De plichten die niet specifiek gelden jegens toezichthouders behoeven geen aanpassing omdat
deze geen overlap kennen met artikel 5:16a. Dit is bijvoorbeeld het geval bij artikel 8, tweede lid,
van de Tabakswet en artikel 20, vierde lid, van de Drank- en Horecawet.
Daarnaast wordt een aantal plichten wel aangepast, niet omdat zij een overlap kennen met artikel 5:16a,
maar omdat de formulering dient aan te sluiten bij de gewijzigde artikelen van de WID. Als voorbeeld
kunnen worden genoemd artikel 111, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 77, eerste
lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
7. Voor de door de Raad geuite vrees dat de in het wetsvoorstel voorziene
uitgebreide identificatieplicht kan leiden tot praktische problemen voor personen die fysiek niet of nauwelijks in staat zijn om naar het
gemeentehuis te komen voor het aanschaffen van een identiteitsbewijs, bestaat onvoldoende
aanleiding. Wat betreft het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart kan worden gewezen op artikel 28, derde lid, van
de Paspoortwet, bepalende dat van de persoonlijke verschijningsplicht van de aanvrager van een dergelijk
document kan worden afgeweken, indien zulks om zwaarwegende redenen niet van hem kan worden gevergd en de
betreffende autoriteit van oordeel is dat op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de
identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager. Daarnaast is
gebleken dat gemeenten in bijzondere gevallen thans reeds bereid zijn om aanvragen voor paspoorten, identiteitskaarten en
rijbewijzen in ontvangst te nemen in ziekenhuizen, verzorgingshuizen, bejaardenhuizen en vergelijkbare
instellingen. Specifieke maatregelen worden dan ook niet nodig geacht.
8. Het advies van de Raad om de woorden "in afwijking van artikel 5:20, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht" in het voorgestelde artikel te schrappen, is overgenomen.
9. Het advies van de Raad met betrekking tot schrapping van de bewuste zinsnede is overgenomen.
10. De aanbeveling van de Raad tot een accentuering van de betekenis van de
toegezegde evaluatie van de wet, nadat zij in werking is getreden, is nagevolgd.
Ik moge U, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, hierbij verzoeken het
gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Justitie,
|