Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 1911-1992
22694 Aanwijzing van documenten dienende ter vaststelling van de
identiteit van personen, alsmede van enige gevallen waarin de identiteit
van personen aan de hand van deze documenten kan worden vastgesteld (Wet
op de identificatieplicht)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
1. Inleiding
In het regeerakkoord van 1989 (Kamerstukken 111989/90,21 132, nr. 9,
par. 14) wordt een beperkte identificatieplicht aangekondigd waaraan
moet kunnen worden voldaan met behulp van bestaande documenten. Gezegd
wordt dat de plicht uitsluitend zal gelden in bijzondere situaties die
in de wet moeten worden omschreven. Genoemd worden de bestrijding van
voetbalvandalisme en fraude. Een algemene identificatie-plicht wordt
niet overwogen. Het bijgaande voorstel geeft uitvoering aan deze passage
van het regeerakkoord. Binnen de gestelde grenzen is gekozen voor een zo
effectief mogelijke aanpak. Dat is in lijn met de grotere waarde die men
sedert de totstandkoming van het regeerakkoord is gaan hechten aan
rechtshandhaving door de overheid.
ldentificatieplichten dragen bij tot een betere rechtshandhaving, omdat
zij de taken verlichten van degenen die met controle en opsporing zijn
belast. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke controle ter plaatse,
bijv. controles gericht op de bestrijding van het zg. zwarte circuit,
maar ook om vergroting van de betrouwbaarheid van
(basis-)administraties door een deugdelijke toetsing van de personalia
van degenen die toegang tot zon administratie wensen. De betekenis van
gegevensverificatie en gegevensuitwisseling als controle-instrumenten
ter voorkoming en bestrijding van financiële en sociale-zekerheidsfraude
wordt vooral bepaald door de betrouwbaarheid van de administraties die
de controlegegevens moeten verschaffen. Ook op internationaal niveau
spelen identificatieplichten een rol bij de bestrijding van
criminaliteit met financiële aspecten. Als onderdeel van het beleid van
de Europese Gemeenschap op dit gebied is een richtlijn vastgesteld die
de lidstaten verplicht tot de invoering vôör 1 januari 1993 van
identificatieplichten bij financiële en verzekeringstransacties
teneinde het witwassen van criminele vermogens tegen te gaan (PbEG L
166/77).
21 3882F
ISSNO92I -7371
Sdu Uitgeverij Plantijnenstraat
's Gravenhage 1992
Het voorliggende wetsvoorstel wijzigt een aantal bestaande regelingen.
Gemeenschappelijk kenmerk van deze regelingen is dat hun niveau van
handhaving vooral of mede wordt bepaald door de mogelijkheden om op
eenvoudige wijze vast te stellen of iemand inderdaad is voor wie hij
zich uitgeeft. Om een beter handhavingsniveau mogelijk te maken, worden
door het wetsvoorstel in deze regelingen identificatieplichten
opgenomen. Daardoor komt op de betrokkene de verplichting te rusten om
desgevraagd te zeggen wie hij is en de juistheid van die opgave met
behulp van een identiteitsbewijs aan te tonen. Het wetsvoorstel laat
uitsluitend goed beveiligde documenten toe. Dat zijn voor Nederlanders
de reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet en in bepaalde situaties
ook het rijbewijs. Vreemdelingen kunnen gebruik blijven maken van hun
verblijfspapieren. De kwaliteit daarvan zal op korte termijn worden
verbeterd.
2. Notitie Identificatieplicht
Bij brief van 24juni1988 heeft mijn ambtsvoorganger aan de Tweede Kamer
een Notitie ldentificatieplicht gezonden (Kamerstukken II 1987/88,
20612, nrs. 1 en 2). Daaraan voorafgaand was over de
rechtmatigheidsaspecten van een identificatieplicht het oordeel
gevraagd van mr. G. J. Wiarda. Zijn advies is bij brief van 5 juni 1987
aan de Kamer overgelegd (Kamerstukken II 1986/87, 19 991, nr. 1).
Volgens dit advies verzetten geen nationale of internationale bepalingen
inzake grondrechten zich tegen de invoering van
identificatieverplichtingen op bepaalde terreinen. Binnen de
rechtmatigheidsgrenzen zoals die in het advies van mr. Wiarda worden
getrokken, gaat de Notitie Identificatie-plicht in op de vraag naar de
effectiviteit van identificatieplichten. Nagegaan wordt in hoeverre deze
dienstbaar kunnen zijn aan de opsporing van strafbare feiten, de
bestrijding van fiscale en sociale fraude en de uitoefening van het
binnenlands vreemdelingentoezicht. De notitie spreekt zich tevens uit
voor de invoering van een facultatieve identiteitskaart die ter
beschikking zal worden gesteld aan degene die dat wenst. De notitie is
behandeld in een uitgebreide commissievergadering op 30 januari 1989
(UCV 29) en kreeg daar een in het algemeen positieve beoordeling.
3.Adviezen
Over het concept-wetsvoorstel is advies gevraagd aan de Commissie voor
de toetsing van wetgevingsprojecten (CTW). het Coördinerend Politie
Beraad ICPB). de Registrstiekamer, de Sociale Verzekeringsraad (SVR), de
Vereniging van Nederlands, Gemeenten (VNG) en de Voorlopige Raad voor de
Persoonsinformatievoorziening (RAP). Behalve van de genoemde instanties
is nog advies ontvangen van de CoornhertLiga, de Koninklijke Notartële
Broederschap, het Landelijk Bureau Racismebestrijding (LBR) en het
Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM). De adviezen
worden bij deze memorie overgelegd. In de concept-wettelcst zijn naar
aanleiding van de adviezen wijzigingen aangebracht. De daarbij
aangepaste toelichting is bovendien op een aantal plaatsen verduidelijkt
en geectualiseerd. Een belangrijke actualisering houdt verband met een
uitspraak van ht EG-Hof van Justitie (Giagounidis tegen de stad
Reutlingen, 5 maart 1991, C-376/89), op grond waarvan in het nu
voorliggende wetsvoorstel is afgezien van de invoering van een
facultatieve identiteitskaart voor uitsluitend binnenlands gebruik.
4.Identificatie
identiteitsbewijs
Identificatie is het vaststellen of aantonen welke persoon iemand is.
Dat kan op verschillende manieren. Behalve door middel van bijv.
fotos, vingerafdrukken of getuigenverklaringen, is identificatie
mogelijk met behulp van een document met daarop informatie over de
vraag wie iemand is. Zon identiteitsbewijs bevat in elk geval de naam,
eventueel een foto en verder de gegevens die nodig zijn voor het doel
waarvoor het bewijs is uitgegeven. Men kan een identiteitsbewijs
definiëren als een bewijs dat is bestemd om aan te tonen dat de houder
degene is voor wie hij zich uitgeeft. Een legitimatiebewijs onderscheidt
zich van een identiteitsbewijs, omdat het primair dient om informatie
te verschaffen over de hoedanigheid of bevoegdheid van de houder. Als
het daarnaast ook persoonsgegevens bevat, is het tevens
identiteitsbewijs. De memorie gebruikt identificeren en
identiteitsbewijs als in deze zin van legitimeren en legitimatiebewijs
te onderscheiden begrippen.
bestaande identificatieplichten
Identificatieverplichtingen komen in de Nederlandse wetgeving in
verschillende vormen voor. De meeste bepalingen richten zich
rechtstreeks tot de burger in een bepaalde hoedanigheid of situatie. De
verplichting kan expliciet worden opgelegd, zoals bijv. in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet
Mulder): zowel in het kader van de controle als met het oog op de
afwikkeling van de geconstateerde overtreding, is de verkeersovertreder
verplicht zijn identiteitsgegevens op te geven (art. 3, eerste lid, jo.
art. 24, eerste lid). Een ander voorbeeld biedt de Vreemdelingenwet:
vreemdelingen zijn verplicht identiteitspapieren bij zich te dragen en
desgevraagd te tonen (art. 17, eerste lid, aanhef en onder a). Maar
vaker heeft de identificatie-plicht een impliciete vorm. Zulke
impliciete verplichtingen komen voor in bepalingen die de bevoegdheid
geven inzage te vorderen van een document dat ook de identiteit van de
houder vermeldt, zoals de bevoegdheid om van de bestuurder van een
motorrijtuig het rijbewijs ter inzage te vragen (art- 33, eerste lid,
aanhef en onder c, Wegenverkeerswet). Algemener is de bevoegdheid om
inzage te vorderen van alle bescheiden waarvan inzage nodig is voor de
controte of opsporing (bijv. art. 84. eerste lid, Wet personenvervoer of
art. 22, tweede lid, Wet arbeid buitenlandse werknemers).
verificatie
Van deze directe (expliciete of impliciete) identificatieplichten moeten
worden onderscheiden de bepalingen die niet rechtstreeks een
identificatiepliçht jegens de overheid op de burger leggen, maar een
andere burgr of een particuliere instantie verplichten om de identiteit
van de betrokkene te controleren. Een dergelijke verificatieplicht komt
onder moer voor in de Wet persoonsregistraties: de houder van de
persoonsregistratie moet de identiteit vaststellen van degene die
gebruik wil maken van een recht op kennisinwinning van zijn eigen
gegevens (art. 29, vierde lid). Een ander voorbeeld biedt de Wet
identiteitsveststelling financiële dienstverlening: da bank moet de
identiteit van de cliënt bij het aangaan van de relatie vaststellen en
registreren, dwz veetleggen in de bankadministratie (art. 2, erste
lid).
bewijsplicht
De identiftcatieplichten in het wetsvoorstel zijn aan te merken .als bewijsplichten. Er is afgezien van de zgn. toonplicht-constructie. Deze houdt in dat degene die zich moet identificeren, nog niet in overtreding is als hij niet op eerste verzoek een identiteitsbewijs kan laten zien, maar eerst als hij niet van de gelegenheid gebruik maakt om het bewijs op een later tijdstip alsnog te tonen. Tegen dergelijke toonplichten valt aan te voeren dat identificatieplichten de rechtshandhaving vooral dienen in de mate waarin zij de taken verlichten van degenen die met controle en opsporing zijn belast. Naarmate vaker moet worden goedgevonden dat men het identiteitsbewijs ook nog later mag komen laten zien, vermindert het voordeel van de taakverlichting. Men wordt dan ook minder gestimuleerd om een identiteitsbewijs bij zich te dragen. En de politie zal dan ook weer vaker iemand mee naar het bureau moeten nemen, indien voldoende andere identificerende gegevens zoals bijv. een kenteken ontbreken.
Een bewijsplicht kan worden omschreven als de verplichting om een
daartoe aangewezen identiteitsbewijs op eerste verzoek te overhandigen
aan de controleur of de opsporingsambtenaar die in het kader van zijn
taakvervulling naar dat bewijs vraagt. In het wetsvoorstel wordt dit tot
uitdrukking gebracht door waar nodig steeds te spreken over een
verplichting om het identiteitsbewijs desgevraagd «terstond» ter inzage
te verstrekken. Een bewijsplicht zal in het algemeen een draagplicht
impliceren, maar is daarmee niet gelijk te stellen. Ook als de
betrokkene de identiteitskaart niet bij zich draagt, maar wel in staat
is deze onverwijld in zijn bezit te krijgen (hij heeft de kaart bijv.
in zijn werkkast of bureau liggen), kan hij voldoen aan de op hem
rustende bewijsplicht. Er is bewust afgezien van het stellen van een
afzonderlijke strafsanctie op het niet bij zich dragen van een document,
aangezien de voordelen daarvan niet tegen de nadelen op wegen (zie
hierna de toelichting op de wijziging van de Vreemdelingenwet).
Effectiviteit in de zin van gedragsbeïnvloeding moet hier primair
worden verwacht van de mogelijkheid de betrokkene die zich niet wil of
kan identificeren, mee te nemen naar het bureau om daar de identiteit op
een andere wijze vast te stellen.
sanctionering
De identificatieplichten die door het wetsvoorstel worden aangescherpt,
vallen uiteen in bepalingen die verplichten tot een identificatie
rechtstreeks tgenover een overheidsinstantie, en bepalingen die een
derde (de bonk, de werkgever of de notaris) verplichten de identiteit
van iemand te controleren (verificatieplichten). De sanctionering van de
verificatieplichten is voldoende geregeld in de bestaande wettelijke en
andere regelingen. Zo is bijv. de verrficatieplicht in de Wet
identiteitsvaststelling financiële dienstverlening als economisch
delict strafbaar gesteld (art. 1,4º, WED). Hetzelfde geldt in beginsel
voor de identificatieplichten tegenover de overheid. In het algemeen
kunnen de bestaande senctionering.n van het ruimere geheel van
verplichtingen waarvan de aangescherpte identificatiebepaling telkens
deel uitmaakt, toereikend worden geacht. Daar komt bij dat men bij de
niet-naleving van een strafrechtelijk gesarlctionmerde
identificatieplicht Steeds is aan te merken als verdachte, zodat men ken
worden onderworpen aan de identificatiemaatregelen die zijn voorzien in
het wetsvoorstel over de anoniem, verdachte (19 757). Op de noodzaak tot
specifieke of aanvullend. sanctioneringen bij bepaald
identificatieplichten wordt hieronder bij de toelichting op die plichten
nader ingegaan.
5.Aanwijzing van documenten
bestaande documenten
Het wetsvoostel begint met de aanwijzing van de documenten die als
officieel identiteitsbewijs zullen gelden. Allereerst worden aangewezen
het paspoort en de andere reisdocumenten, bedoeld in artikel 2 van de
Paspoortwet (Stb. 1991, 498). Verder zal in bepaalde gevallen ook het
rijbewijs kunnen worden gebruikt. Het paspoort is primair een document
voor grensoverschrijding, maar fungeert in de praktijk ook als
identiteitsbewijs. Het rijbewijs dient om vast te stellen of de houder
bevoegd is om een motorrijtuig te besturen, maar ook dit document doet
daarnaast dienst als identiteitsbewijs. Een algemeen identiteitsbewijs
wordt tot dusverre in Nederland niet door de overheid verstrekt. Aan de
behoefte die in de praktijk aan zon algemeen bewijs bestaat, wordt tot
op zekere hoogte tegemoet gekomen door paspoort en rijbewijs. Beide
documenten worden door de overheid uitgegeven, hebben een brede
verspreiding en zijn in redelijke mate tegen vervalsing beschermd. De
functie van algemeen identiteitsbewijs kunnen zij echter niet vervullen
door de beperkingen waaraan hun verstrekking is onderworpen. Daarom zal
een aanvullend identiteitsbewijs beschikbaar moeten komen, dat
verkrijgbaar dient te zijn voor iedere Nederlander die aan de
voorgestelde identificatieverplichtingen zal kunnen worden onderworpen.
Vreemdelingen moeten op grond van de Vreemdelingenwet al beschikken over
papieren waaruit hun identiteit en nationaliteit blijkt, in de regel hun
nationale paspoort. Ten aanzien van vreemdelingen wordt er daarom mee
volstaan deze documenten aan te wijzen.
nationale identiteitskaart
In het concept-wetsvoorstel was aanvankelijk voorzien in de invoering
van een facultatieve identiteitskaart waarvan het gebruik zou zijn
beperkt tot Nederland. Inmiddels lijkt op grond van recente
jurisprudentie van het EG-Hof de verwachting gerechtvaardigd dat een
dergelijke beperking onder het EG-recht niet zal zijn te effectueren.
Het gaat om de uitleg die het EG-Hof in zijn uitspraak van 5 maart 1991
in de zaak C-376/89 (Giagounidis tegen de stad Reutlingen) geeft aan
artikel 4, eerste lid, van de richtlijn inzake de opheffing van de
beperkingen van de verplaatsing van het verblijf van de werknemers der
lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap, van 1 5 oktober 1
968 (PbEG L 257). Volgens het Hof moet dit artikel in die zin worden
uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om op zijn grondgebied
verblijfsrecht toe te kennen aan de in artikel 1 bedoelde werknemers,
indien zij een geldige nationale identiteitskaart overleggen, zelfs als
deze de houder niet het recht geeft het grondgebied van de lidstaat van
afgifte te verlaten. Bij brief van 1 6 augustus 1991 heeft de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken de Tweede Kamer over deze
kwestie bericht (Kamerstukken II 1990/91, 22 151, nr. 2). Aan het
genoemde arrest wordt in de brief de conclusie verbonden dat een
binnenlandse nationale identiteitskaart tevens als identificatiemiddel
in de andere EG-lidstaten zal kunnen worden gebruikt en dat dus de
invoering van een afzonderlijke binnenlandse nationale identiteitskaart
naast een reisdocument voor het reizen binnen Europa niet zinvol meer
is.
beperking toepassing rijbewijs
Anders dan de eerdergenoemde reisdocumenten vermeldt het huidige
rijbewijs niet de nationaliteit. Dit document is daarom niet een
doelmatig identificatiemiddel in situaties waarin de nationaliteit een
rol speelt, zoals bij de controle op illegale arbeid en illegaal
verblijf. Aan dat bezwaar zou tegemoet gekomen kunnen worden door op het
rijbewijs de nationaliteit te vermelden. Een dergelijke vermelding roept
echter op haar beurt nieuwe bezwaren op. Zo vergt opneming van het
gegeven van de nationaliteit niet alleen aanpassing van het model van
het rijbewijs, maar ook wijziging van de software van het
rijbewijzenregister in Veendam en van alle gemeenten, aangezien deze met
uiteenlopende programmatuur werken. Verder zou door het stellen van de
nationaliteitseis het rijbewijs voor de houders van een bestaand
rijbewijs eerst bruikbaar zijn als identiteitsbewijs na vervanging
wegens het verstrijken van het tijdvak waarna het rijbewijs moet worden
vernieuwd. In het uiterste geval is dat tien jaren. Daarnaast zouden
specifieke voorzieningen moeten worden getroffen voor de gevallen waarin
de nationaliteit van de houder zich wijzigt. Wegens deze bezwaren is
afgezien van een aanpassing van het rijbewijs door daarop een voor dat
document oneigenlijk gegeven als de nationaliteit te vermelden. Het
wetsvoorstel gaat uit van het rijbewijs in zijn huidige vorm, maar laat
dit als identiteitsbewijs alleen toe in de gevallen waarin de
nationaliteit bij de identificatie niet of nauwelijks van betekenis is.
Wat betreft de situaties waarover dit wetsvoorstel bepalingen bevat, is
dat het geval bij de identificatie in verband met zwartrijden en
voetbalvandalisme en bij de identificatie jegens financièle instellingen
en de notaris.
6.Wijziging van de Paspoortwet
Als identiteitsdocumenten zijn aangewezen de reisdocumenten in de zin
van de Paspoortwet, zoals het nationale paspoort en het beoogde
reisdocument om te reizen in Europa. Een document voor
grensoverschrijding heeft een belangrijke functie als bewijs van de
identiteit van de houder. Weliswaar is een identiteitsbewijs omgekeerd
nog geen document voor grensoverschrijding, maar in een Europa met open
binnengrenzen heeft dit onderscheid praktisch geen betekenis meer. Waar
in het vervolg van deze memorie wordt gesproken over (nationale)
identiteitskaart, wordt gedoeld op het reisdocument waarmee binnen
Europa zal kunnen worden gereisd. Met het oog hierop zal in de
Paspoortwet uitdrukkelijk worden geregeld hoe dit document zich als
reisdocument verhoudt tot de andere in de Paspoortwet geregelde
documenten. Noodzakelijke aanpassingen van de Paspoortwet betreffen o.a.
de aanvraagprocedure, de toepassing van weigeringsgronden, de
verstrekking aan minderjarigen en het bezit van meerdere reisdocumenten
naast elkaar. Bij de op 1 januari 1992 in werking getreden Paspoortwet
is bewust gekozen voor een systeem van rijksregelgeving. Hoewel het
onderhavige wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de Nederlandse
Antillen en Aruba, komt het toch onwenselijk voor om de Paspoortwet bij
gewone wet te wijzigen. Er zou dan immers sprake zijn van een wijziging
van een rijkswet, zonder dat inschakeling van de overzeese parlementen
plaatsvindt en zonder dat de wijzigingen in de Nederlandse Antillen en
Aruba worden gepubliceerd. Daarom is ervoor gekozen de wijzigingen van
de Paspoortwet niet bij het voorliggende voorstel, maar bij afzonderlijk
voorstel van rijkswet tot stand te brengen.
7.Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
Met het commentaar van de Registratiekamer is in het voorliggende wetsvoorstel zoveel mogelijk rekening gehouden. Aan de opmerkingen over de bepalingen in het oorspronkelijke concept-wetsvoorstel die betrekking hadden op de invoering van een nationale identiteitskaart kon worden voorbij gegaan, omdat dat deel van het wetsvoorstel is komen te vervallen. Ten aanzien van de andere bepalingen in het wetsvoorstel merkt de Registratiekamer op dat van geval tot geval moet worden aangegeven welke aan een getoond document te ontlenen gegevens moeten worden vastgelegd. Uit de grondrechtsdimensie van deze materie, het feit dat vastlegging en gebruik van persoonsgegevens de persoonlijke levenssfeer van individuele burgers raken, vloeit voort dat een registratieverplichting strikt beperkt blijft tot vastlegging van die gegevens waarvan opn-emirig noodzakelijk is voor het doel waartoe een dergelijke verplichting wordt gecreëerd. Hieruit volgt, aldus de Registratiekamer, dat deze verplichting, daar waar zekerheid omtrent naleving van een identificatie- en verificatieplicht op deelterreinen voorop staat, beperkt blijft tot de vastlegging van de aard van het document in combinatie met het documentnummer, terwijl in de gevallen waarin de voorgestelde verplichting nieuwe registratie-activiteiten uitlokt, nauwkeurig wordt aangegeven welke gegevens aan een aangewezen document moeten worden ontleend. Het voorliggende wetsvoorstel voldoet aan deze eisen, aangezien het in alle gevallen slechts verplicht tot het vastleggen van de aard van het document en het documentnummer.
Daarnaast is er de vraag of de voorgestelde identificatieplichten zich
verdragen met het in artikel 8 EVRM geregelde grondrecht op de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Tot de voorwaarden
waaronder de overheid inbreuk op dit grondrecht mag maken, behoort het
vereiste dat de inbreuk als noodzakelijk in een democratische
samenleving kan worden aangemerkt. De jurisprudentie stelt aan de
vervulling van deze voorwaarde onder meer de eis dat sprake moet zijn
van een «pressing social need», met dien verstande dat ten aanzien van
het bestaan van zon «need» aan de nationale wetgever een zekere
beoordelingsruimte wordt gelaten. In het hiervoor (par. 2) genoemde
advies van mr. G.J. Wiarda werd al aangegeven dat met betrekking tot de
bestrijding van fraude op fiscaal en sociaal gebied de argumenten voor
de oplegging van een identificatieplicht voor de hand liggen en
overtuigend kunnen aantonen dat de Nederlandse wetgever daartoe een
«pressing social need» kan zien. Gelet op de mate waarin het zwartrijden
en het voetbalvandalisme in de Nederlandse samenleving als een probleem
worden ervaren, zal mogen worden aangenomen dat ook de invoering van een
identificatieplicht voor zwartrijders en voetbalsupporters voldoet aan
het genoemde vereiste. Met betrekking tot de voorgestelde verbetering
van de uitvoerbaarheid van de Vreemdelingenwet en de Wet buitenlandse
werknemers kan worden gewezen op de open grenzen binnen de EG en op de
noodzaak van controle op hier te lande bestaande en voor allen
toegankelijke voorzieningen.
8.Financiële gevolgen en uitvoeringslasten
kosten van de identiteitskaart
Er wordt naar gestreefd de identiteitskaart tegen kostprijs ter
beschikking te stellen. Onder kostprijs is in dit verband te verstaan de
door rijk en gemeenten werkelijk te maken kosten die direct of indirect
verband houden met de produktie, distributie en afgifte van de kaart. De
hoogte van de kostprijs wordt verder bepaald door de kosten van
mogelijke aanvullende beveiligingseisen. Er wordt naar gestreefd de
uiteindelijke prijs van de kaart voor de burger te beperken tot een
bedrag van ten hoogste f 35 â f 40. De identiteitskaart zal niet door
het rijk worden gesubsidieerd. Omdat met de identiteitskaart ook naar de
andere EG-Lidstaten kan worden gereisd, zal de invoering van dit
document de omzet van paspoorten kunnen beïnvloeden. Op het paspoort
wordt f 52 rijksleges geheven, In het meest vergaande geval zou het
substitutieeffect ertoe kunnen leiden dat op jaarbasis ruim 1 miljoen
paspoorten niet meer worden vervangen door een nieuw exemplaar. Het rijk
zou daardoor inkomsten derven ten belope van maximaal circa f 50 miljoen
per jaar. In de mate waarin burgers naast hun identiteitskaart echter
ook een paspoort blijven aanschaffen, kan het nadeel voor de schatkist
in werkelijkheid veel lager uitvallen. In het kader van het Project
Reisdocumenten zal onderzoek worden gedaan naar dit substitutie-effect
zodat over de financiële gevolgen daarvan meer duidelijkheid wordt
verkregen. Conform de gemaakte afspraken zal de Tweede Kamer over de
uitkomsten van dit onderzoek worden geïnformeerd (Kamerstukken II
1990/91, 22 151, nr. 1, blz. 2).
uitvoeringslasten
Wat betreft de administratie door bedrijven en banken gaat het om
aanscherping van reeds bestaande verplichtingen. Het advies van de SVR
spreekt in verband met de verificatieplicht van de werkgever over een
kleine administratieve lastenverzwaring. Het voorliggende voorstel bevat
daarnaast de verplichting voor de werkgever om de nodige maatregelen te
treffen ter waarborging van de identificatieplicht door de werknemers.
Bovendien zal de werkgever eenmalig aan deze verplichtingen moeten
voldoen ten aanzien van de werknemers die reeds in dienst zijn ten tijde
van de inwerkingtreding van deze wet. Ter beperking van de
werklastgevolgen van deze inhaalslag voorziet het wetsvoorstel in de
mogelijkheid een redelijke overgangstermijn te laten gelden waarbinnen
de al in dienst zijnde werknemers zich met een toegelaten
identiteitsbewijs bij hun werkgever dienen te melden.
kosten en opbrengsten door verbetering van de rechtshandhaving
Ten slotte zijn er de kosten die voortvloeien uit de verbetering van de
rechtshandhaving, waaraan het wetsvoorstel een bijdrage beoogt te
leveren. Met de CTW ben ik van oordeel dat deze lasten niet aan het
wetsvoorstel mogen worden toegerekend. Daarentegen zullen er door de
verbetering van de rechtshandhaving opbrengsten voor de schatkist zijn,
in het bijzonder in de sfeer van de fraudebestrijding. Voor zover dit
betreft de verbetering van de handhaving op het gebied van de sociale
zekerheid wordt deze opbrengst geraamd op structureel f 50 miljoen
besparingen op uitkeringen/premies minus f10 miljoen kosten bij
bedrijfsverenigingen en gemeenten (Kamerstukken 111990/91, 17 050, nr.
139, bijlage 5).
9.Aanpassing van wetten
9.1.Financiële fraude
huidige situatie
Het primaat bij het tegengaan van fraude bij financiële transacties met
banken en andere financiële instellingen ligt tot dusver bij de
betrokken sector zelf. Regels over de vraag wanneer en hoe de identiteit
van cliënten van deze instellingen moet worden onderzocht, zijn
vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten waarbij De Nederlandsche
Bank N.V. enerzijds en representatieve organisaties van het bank- en
effecten-wezen anderzijds partij zijn. In deze overeenkomsten verbinden
de betrokkenen zich bij transacties met niet op naam gestelde
spaarbewijzen en bij bepaalde vormen van financiële dienstverlening de
identiteit van de cliënt vast te leggen. Deze identificatie moet
geschieden met de «zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer
betaamt». Op grond van de Wet inzake spaarbewijzen (Stb. 1 985, 293) en
de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening (Stb.
1988, 278) zijn de overeenkomsten inzake spaarbewijzen en de bedoelde
vormen van duurzame dienstverlening algemeen verbindend verklaard, zodat
zij ook gelden voor financiële instellingen die niet partij zijn bij de
overeenkomsten, maar wel een of meer van de desbetreffende diensten
verrichten (Stb. 1987, 129 resp. Stb. 1988, 679).
De zorgvuldigheidsnorm wordt in een zogenoemde interbancaire
gedragsregel nader uitgewerkt. De bank moet zich overtuigen van de
identiteit van de tegenpartij. Toegelaten worden daartoe documenten die
met een voor de desbetreffende bank aanvaardbare zorgvuldigheid in het
verkeer zijn gebracht, zoals onder andere paspoort, rijbewijs en 65+
pas. Aard en gegevens van het getoonde document worden in de
bankadministratie vastgelegd. Identificatie van de cliënt mag ook
geschieden door een aantekening dat de wederpartij uit anderen hoofde
reeds bekend s bij de bankmedewerker. Naam en paraaf van de medewerker
worden in dat geval ook vastgelegd.
De interbancaire gedragsregel maakt echter geen deel uit van de genoemde overeenkomsten met De Nederlandsche Bank NV. als partij en is dus ook niet door de algemeen-verbindendverklaring gaan gelden voor de instellingen die geen partij bij die overeenkomsten waren. De positie van de cliënten van deze instellingen kan dan ook verschillend zijn als gevolg van een andere toepassing van de zorgvuldigheidsnorm Daarnaast sluit de ruime omschrijving van de wijze waarop volgens de gedragsregel identificatie kan plaatsvinden, niet goed aan bij de strakkere benadering van het onderhavige wetsvoorsteL Anders dan de gedragsregel kiest het wetsvoorstel voor een limitatieve opsomming van documenten met een voldoende beveïiigingsniveau.
EG-richtlijn tegen het witwassen van geld Daarbij komt dat thans op
zowel nationaal als internationaal niveau de strijd tegen criminaliteit
met financiële aspecten bijzondere aandacht krijgt. Van bijzonder belang
is in dit verband de totstandkoming van de EEG-richtlijn waarin een
identificatieplicht bij financiële en verzekeringstransacties wordt
opgelegd (PbEG L 166/77). De richtlijn vormt een onderdeel van het
EG-beleid tegen het witwassen van crimineel verkregen geld. De
identificatieplicht geldt voor alle transact,es met uitzondering van
incidentele balie-transacties tot 1 5 000 ecu (+/-f 35 000) alsmede
kleine verzekeringen. De nationale wetgevingen moeten op 1 januari 1 993
aan de richtlijn zijn aangepast. Met het oog daarop bereidt de Minister
van Financiën thans een wetsvoorstel voor tot uitbreiding van de
bestaande identificatieverplichtingen bij financiële transacties. Die
voorstellen zullen aangeven bij welke transacties en met welke
documenten cliënten van financiële instellingen zich dienen te
identificeren.
identificatieplicht bij financiële transacties
In het onderhavige wetsvoorstel wordt daarom volstaan met een beperkte
aanpassing van de bestaande wetgeving. Deze houdt in dat de
identiteitsvaststelling bij de aanvang van de verlening van een duurzame
financiële dienst als bedoeld in de Wet identiteitsvaststelling bij
financiële dienstverlening (opening van rekeningen en effectendepots en
duur van safeloketten) nog uitsluitend kan plaatsvinden aan de hand van
een officieel identiteitsbewijs. Een vergelijkbare wijziging wordt
voorgesteld met betrekking tot transacties in niet op neem gestelde
spaarbewijzen. Deze aanscherping zal naar verwachting op controle en
opsporing effectiever maken en de preventieve werking van de
identiteitsvaststelling vergroten. Aangezien bij deze vormen van
fraudebestrijding bekendheid met de nationaliteit van de betrokkene niet
van primaire betekenis is, wordt in deze gevallen ook het (Nederlandse)
rijbewijs toegelaten als identificatiemiddel. Niet-nakoming door de
financiële instelling van de verificatieplichten wordt aangemerkt als
een economisch delict.
adviezen
De CTW betwijfelt in haar commentaar of de overheid de
identiteitsvaststelling door de financiële instellingen wel goed kan
controleren. Volgens de commissie is er veel te zeggen voor continuering
van het stelsel van wettelijk geconditioneerde zelfregulering. Het is
echter onzeker, aldus de commissie, of het bestaande stelsel van
zelfregulering zo kan worden aangepast dat het gewenste niveau
(voorgeschreven identificatiedocumenten) en de gewenste reikwijdte (alle
financiële instellingen) van regulering kunnen worden bereikt. Het zijn
inderdaad deze aspecten die een wettelijke regeling indiceren.
Internationale verplichtingen, de afstemming op het voorliggende
wetsvoorstel en factoren als een goede handhaafbaarheid en
rechtsgelijkheid voor alle betrokkenen, nopen thans tot een regeling
door de wetgever zelf. Het is niet goed mogelijk het beoogde en mede
door internationale verplichtingen opgelegde handhavingsniveau langs de
weg van de zelfregulering te bereiken.
9.2.Sociale-zekerheids fraude
nummeridentificatie
De sociale-verzekeringsorganen zijn verplicht in hun administraties de
verzekerden en de uitkeringsgerechtigden onder hun Sofi-nummer te
registreren (art. 23 van de Organisatiewet Sociale Verzekering, Stb.
1989, 119). Voordat iemand in deze administratie wordt opgenomen, worden
nummer en bepaalde persoonsgegevens bij het centrale nummerbestand van
de belastingdienst op juistheid gecontroleerd. De belastingdienst
verifieert de gegevens van een aanvrager die nog niet over een
Sofi-nummer beschikt, zonodig bij de bevolkingsadministratie of de
vreemdelingendienst. Als degene aan wie een bepaald nummer wordt
toegekend, niet degene is die hij zegt te zijn, functioneert het systeem
van nummer-identificatie niet meer. Dit risico kan worden beperkt door
een deugdelijke verificatie van de persoonsgegevens op het moment dat de
werknemer door indiensttreding bij een werkgever toegang tot het systeem
verkrijgt.
identificatie jegens de werkgever
Tegelijk met de invoering van het Sofi-nummer in 1989 is aan de
werknemer de verplichting opgelegd om aan de werkgever zijn Sofi-nummer
en bepaalde persoonsgegevens op te geven. De werkgever moet deze
gegevens opnemen in zijn administratie (art. 50b, tweede en derde lid,
en 50c, eerste lid, OSV jo. art. 1 Besluit melding bedrijfsvereniging,
Stcrt. 1989, 107). Overtreding is strafrechtelijk gesanctioneerd (art.
52 en 52a OSV). Er ontbreekt echter een bepaling over de wijze waarop de
werknemer aan deze identificatieplicht jegens de werkgever moet voldoen.
Dit vergroot onnodig het risico dat bewust of onbewust verkeerde
identiteitsgegevens worden verstrekt. Door uitdrukkelijk aan te geven
hoe de persoonsgegevens van de werknemer moeten worden gecontroleerd,
wordt op relatief eenvoudige wijze een belangrijke waarborg geschapen
voor de kwaliteit van de werkgeversadministratie en de daardoor gevoede
verzekerdenadministratie. Voor een effectieve bestrijding van
sociale-zekerheidsfraude zijn betrouwbare administraties van wezenlijke
betekenis. Het wetsvoorstel verplicht daarom de werkgevers tot
verificatie van de identiteitsgegevens van de werknemer aan de hand van
een officieel identiteitsbewijs. Om de naleving van deze verplichting
controleerbaar te maken, moet de werkgever aard en nummer van het
getoonde document in zijn administratie vermelden (art. 50b, derde lid,
OSV). Door bij zijn administratie een fotokopie te bewaren van het
document waarmee de werknemer zich heeft geïdentificeerd, zal de
werkgever tegenover controleurs en opsporingsambtenaren op eenvoudige
wijze kunnen aantonen dat hij aan zijn verificatieplicht heeft voldaan.
De verificatieplicht van de werkgever dient ook te gelden ten aanzien
van de werknemers die bij de inwerkingtreding van de betrokken bepaling
al bij de werkgever in dienst zijn. Om de werklastgevolgen hiervan voor
de werknemers te beperken, voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid
een overgangstermijn te laten gelden, tijdens welke termijn de werknemer
verplicht is zich bij de (personeelsdienst van de) werkgever te melden
om deze in staat te stellen aan zijn verificatieplicht te voldoen.
parallelle voorziening in de Wet op de loonbelasting 1964
Ook voor de loonbelastingadministratie is de werkgever nu al verplicht
aan de werknemer bepaalde gegevens en het Sofi-nummer te vragen en in
zijn administratie te verwerken. Een verificatieplicht zal ook aan de
kwaliteit van de loonbelastingadministratie kunnen bijdragen. Om die
reden bevat het wetsvoorstel naar analogie van de hiervoor genoemde
wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekering ook een wijziging
van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 1990, 104), die de werkgever
ertoe verplicht de identiteit van de werknemer vast te stellen aan de
hand van een toegelaten identiteitsbewijs en daarvan aantekening te
houden in de loonboekhouding. Op de werknemer wordt een complementaire
verplichting gelegd om deze gegevens te verstrekken. Op deze wijze wordt
tevens bereikt dat de eenheid van inrichting van
werkgeversadministraties voor fiscale en sociale doeleinden gehandhaafd
blijft.
identificatie jegens de uitvoeringsorganen
Naast de eerdergenoemde informatieplicht ten behoeve van het vullen van de verzekerdenadministraties, kent de sociale-zekerheidswetgeving van oudsher een algemene inlichtingenplicht jegens de uitvoeringsorganen. Het huidige artikel 50a, eerste lid, OSV verplicht een ieder aan deze instanties alle gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de uitvoering van de betrokken wetten. De bepaling impliceert een verplichting tot het opgeven van de identiteit. Maar ook hier is niet aangegeven hoe de juistheid van de verstrekte persoonsgegevens moet worden aangetoond. Concretisering van deze verplichting zal de effectiviteit van de controle kunnen verbeteren. Het wetsvoorstel breidt daartoe het artikel uit met een bepaling die verplicht tot identificatie met behulp van een aangewezen identiteitsbewijs (art. 50a, vierde lid, OSV). Om deze identificatieplicht ten opzichte van de uitvoeringsinstanties effectief te laten zijn, is bepaald dat het identiteitsbewijs terstond ter inzage moet worden verstrekt.
De bestaande sanctiebepaling ten aanzien van de verplichting van de
werknemer om mee te werken aan controle door de uitvoeringsinstanties,
is ook op deze verplichting van toepassing (art. 52 OSV). Die
sanctiebepaling kan echter uitsluitend worden geëffectueerd door de
werknemer die weigert zich te identificeren, aan de reguliere politie
over te dragen. Die moet hem dan voor het nemen van verdere maatregelen
meenemen naar een politiebureau. In de situaties waarin door bijv.
capaciteitsproblemen bij de reguliere politie deze procedure niet kan
worden gevolgd, zou de identificatieplicht van de werknemer tegenover de
uitvoeringsinstanties onvoldoende gesanctioneerd kunnen blijken. Daarom
legt het wetsvoorstel op de werkgever een verplichting om maatregelen te
treffen die naleving van de identificatieplicht door de werknemer
bevorderen (art. 50b, vierde lid, OSV). Als een mogelijkheid om aan deze
zorgplicht te voldoen zou de werkgever de werknemers al dan niet
steeksproefgewijs bij het betreden van de arbeidsplaats door bijv. de
beveiligingsfunctionarissen van het bedrijf op het bezit van een
identiteitsbewijs kunnen laten controleren. In een circulaire aan de
werknemers kan hij dan wijzen op hun verplichting om tijdens de werkuren
een identiteitsbewijs onder handbereik te houden. In die circulaire kan
ook worden aangegeven dat regelmatig op het bezit van een
identiteitsbewijs zal worden gecontroleerd. Als het bedrijf een
personeelsblad heeft, kan daarin van een en ander mededeling worden
gedaan. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de werknemer op de
werkplek een identiteitsbewijs bij de hand heeft. Het gaat hier om een
verplichting die algemeen, dat wil zeggen in alle sectoren van het
bedrijfsleven, geldt. Onjuist is immers de veronderstelling dat
zwart-werken slechts in een paar bedrijfstakken voorkomt.
Overwogen is of niet zou kunnen worden volstaan met een verplichting tot
identificatie bij indiensttreding. Men kan zich immers afvragen of het
voor de bestrijding van fraude en illegale arbeid wel noodzakelijk is om
iedereen die werkt, op deze wijze feitelijk ertoe te verplichten op de
werkplek een identiteitsbewijs bij de hand te houden met het oog op
controles die in de praktijk vooral gericht zullen zijn op situaties
waarin de kans op het aantreffen van zwartwerkers het grootst is. Alles
in aanmerking genomen, blijf ik van mening dat met de voorgestelde
identificatieplicht bij indiensttreding niet kan worden volstaan. De
uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid zullen immers niet op
voorhand mogen uitgaan van een volledig geactualiseerde
werkgeversadministratie. Ook de aanwezigheid van fotokopieen van het
document met pasfoto dat de werknemer indertijd bij indiensttreding
heeft overgelegd, biedt niet zonder meer een sluitend
controle-instrument. Bovendien bevindt in veel sectoren (bouw, haven,
enz.) de administratie van de werkgever zich op een andere plaats dan de
te controleren personen. Naast de mogelijkheid om via de
werkgeversadministratie controle uit te oefenen, moeten de
uitvoeringsorganen daarom ook kunnen beschikken over de bevoegdheid om
rechtstreeks van degenen die zij moeten controleren, de identiteit vast
te stellen. Deze identiteitsvaststelling kan dan weer aanleiding zijn om
de werkgeversadministratie aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Volgens het voorgestelde artikel 50a, vierde lid, 0SV zijn de
uitvoeringsorganen bevoegd te vragen naar een document waaruit ook de
nationaliteit blijkt. Naar mijn mening behoeft dit echter niet te
betekenen dat het rijbewijs bij de controle geen enkele rol zou kunnen
spelen. Bij een controle op basis van de werkgeversadministratie kunnen
immers ook andere aanwijzingen omtrent de identiteit van de aanwezige
personen (zoals een rijbewijs) voor de controleur voldoende zijn om
ontstane twijfel weg te nemen. Hij komt dan niet meer toe aan het
uitoefenen van de bevoegdheid tot identiteitsvaststelling aan de hand
van de documenten, bedoeld in artikel 1 van het wetsvoorstel.
parallelle voorziening in de Wet op de Sociale Verzekeringsbank
De SVR vraagt zich in zijn advies af waarom aan de organen en personen,
genoemd in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Sociale
Verzekeringsbank (Stb. 1968, 1 58) niet dezelfde bevoegdheid is gegeven
als aan de uitvoeringsorganen. Dit onderscheid in het oorspronkelijke
wetsvoorstel is inderdaad niet goed te motiveren. Aan artikel 1 9 is
daarom een bepaling toegevoegd naar analogie van het voorgestelde
artikel 50a, vierde lid, 0SV. De verplichting valt onder de bestaande
strafbepaling in artikel 79 WSVB.
parallelle voorziening in de belastingwetgeving
Aansluitend bij de regelingen die in de sfeer van de sociale
verzekeringen zijn opgenomen, wordt voorgesteld vergelijkbare
verplichtingen jegens de Belastingdienst op te nemen. Dit betreft in de
eerste plaats de verplichting van de werknemer zich desgevraagd met
behulp van een aangewezen identiteitsbewijs tegenover de belastingdienst
te identificeren (art. 47b, eerste lid, Algemene wet inzake
rijksbelastingen). Bij de identificatieverplichtingen die zijn opgenomen
in het kader van de sociale verzekeringen, past ook de verplichting tot
identificatie met een aangewezen identiteitsbewijs bij de aanvraag om
toekenning van een sociaal-fiscaal nummer (art. 47b, tweede lid, AWR).
Een dergelijke verplichting is mede nodig voor een deugdelijk
functioneren van het systeem van nummeridentificatie bij de sociale
verzekeringen. De bestaande sanctiebepaling van artikel 68 AWR is op
deze verplichtingen van toepassing.
Naast het vorenstaande zou een aangescherpte identificatieplicht ook
kunnen worden overwogen in andere gevallen waarin vaststelling van de
identiteit ten behoeve van de belastingheffing van belang kan zijn.
Daarbij ware te denken aan de inschrijving van een ondernemer voor de
omzetbelasting en aan de opsporing van de werkelijke bestuurder in
verband met de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid. In het huidige stadium
geeft de Staatssecretaris van Financiën er echter de voorkeur aan eerst
ervaring op te doen met de thans voorgestelde regeling, alvorens ter
zake tot een nadere afweging te komen.
adviezen
Blijkens zijn advies kan de SVR zich vinden in de voorgestelde
verificatieplicht van de werkgever. Met de voorstellen van de Raad ten
aanzien van de formulering en de plaats van de desbetreffende bepalingen
is rekening gehouden. Tevens is conform het advies in het wetsvoorstel
geëxpliciteerd dat tegenover de verplichting van de werkgever een
corresponderende verplichting van de werknemer staat om aan de werkgever
een identiteitsbewijs over te leggen (art. 50e, tweede lid, OSV). De
Registratiekamer signaleert terecht dat het wetsvoorstel hier een
inhaalslag impliceert. De verplichting, bedoeld in het voorgestelde
artikel 50b, derde lid, OSV is in algemene zin geformuleerd en betreft
in verband met het duurkarakter van de arbeidsovereenkomst ook de reeds
in dienst zijnde werknemers. De CTW vraagt zich af of de
verificatieplicht van de werknemer niet ergens anders had moeten worden
geregeld. Aangezien het primaire doel van deze verificatieverplichting
is vergroting van de betrouwbaarheid van de verzekerdenadministraties,
is gekozen voor regeling in de Organisatiewet Sociale Verzekering.
De SVR kan ook instemmen met een identificatieplicht jegens de
uitvoeringsorganen. De Raad ziet deze plicht als een middel bij de
controle van sociale zekerheidsfraude. Tegen de aanvullende
sanctionering via de werkgever, zoals vorm gegeven in het
oorspronkelijke wetsvoorstel, zijn echter ernstige bedenkingen geuit
door zowel de SVR als de CTW. Volgens de Raad druist de bepaling in
tegen het beginsel dat men alleen strafrechtelijk aansprakelijk kan
worden gesteld voor zijn eigen verwijtbaar handelen of nalaten. Ook de
CTW spreekt de vrees uit dat deze bepaling in tal van situaties het
beoogde effect zal missen, omdat de werkgever niets te verwijten valt.
Naar aanleiding van deze kritiek is de bepaling aangepast, echter zonder
de strekking daarvan aan te tasten: van de werkgever mag worden gevergd
dat hij doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om te bevorderen
dat de werknemer aan zijn verplichtingen jegens de uitvoeringsorganen
voldoet.
9.3.Illegale tewerkstelling
De Wet arbeid buitenlandse werknemers (Stb. 1978, 737) verbiedt
werkgevers om zonder vergunning vreemdelingen in de zin van die wet te
laten werken. Met de controle op de naleving van deze wet is de Dienst
Inspectie Arbeidsverhoudingen (DIA) belast. Deze dienst kan daartoe «van
een werkgever en een vreemdeling» de inlichtingen verlangen die hij voor
zijn taakuitoefening nodig heeft. Voorts kan hij onder dezelfde
beperking inzage vorderen van bescheiden, hetgeen een
identificatieplicht impliceert (art. 22, tweede lid, WABW). In de
praktijk blijkt deze regeling niet toereikend voor een adequaat optreden
ter bestrijding van illegale tewerkstelling. Enerzijds is het zonder
informatie vooraf over iemands nationaliteit niet goed mogelijk vast te
stellen of hij vreemdeling is. Anderzijds bestaat er behoefte aan
explicitering van de bevoegdheid om inzage te vorderen van bescheiden,
in die zin dat daaronder zijn begrepen documenten waaruit de identiteit
en de nationaliteit van de betrokkene blijken.
Het wetsvoorstel neemt beide bezwaren weg. In de gewijzigde
bevoegdheidsregeling geldt de inlichtingenplicht voor een ieder die zich
in een situatie bevindt waarin de DIA tot controle bevoegd is. Daarnaast
worden onder «bescheiden» uitdrukkelijk begrepen de documenten die in
artikel 1 van het wetsvoorstel worden aangewezen en waaruit in alle
gevallen de identiteit en nationaliteit kunnen worden opgemaakt. Door
deze aanpassingen wordt buiten twijfel gesteld dat de DIA op de werkplek
de daar aanwezigen mag vragen naar de gegevens die zij voor de controle
op illegale arbeid nodig heeft. De WABW voorziet niet in een ophouding
op een plaats voor verhoor voor identiteitsvaststelling. De
DIA-ambtenaren kunnen zich bij een controle echter laten vergezellen van
politieambtenaren die op grond van de Vreemdelingenwet met het toezicht
op vreemdelingen zijn belast. In de praktijk plegen controles
gezamenlijk te worden gehouden, zodat ook bij een DIA-controle kan
worden beschikt over de bevoegdheden die de Vreemdelingenwet biedt.
9.4.Notariële akten
Bepaalde rechtshandelingen kunnen alleen rechtsgeldig worden verricht
bij notariële akte. Belangrijke categorieën vormen de rechtsharv
delingen betreffende rechtspersonen (o.a. oprichting en
statutenwijziging N.V. en BV.) en die betreffende registergoederen. Men
moet erop kunnen vertrouwen dat in de akte de juiste personalia worden
vermeld. De Wet op het notarisambt (Stb. 1842, 20) bepaalt daartoe dat
de partijen aan de notaris bekend moeten zijn of door twee getuigen
bekend moeten worden gemaakt (art. 25). Deze bepaling is verouderd. Naar
huidige opvatting moet de notaris de juistheid van de persoonsgegevens
verifiëren aan de hand van een betrouwbaar identiteitsbewijs (vgl. ook
HR 21juni1985, NJ 1986, 259 en de conclusie van AG Biegman-Hartogh,
onderdelen 4-6). Het wetsvoorstel past artikel 25 in deze zin aan. De
notaris moet de identiteit van de personen die voor hem verschijnen, op
juistheid controleren aan de hand van een officieel identiteitsbewijs
en de aard en het nummer daarvan opnemen aan het slot van de akte.
Omdat voor deze controle de nationaliteit niet van wezenlijke betekenis
is. wordt ook het rijbewijs toegelaten. Volgens de Koninklijke Notariële
Broederschap is echter het rijbewijs voor de notariële praktijk een
minder geschikt identiteitsbewijs. In haar commentaar noemt de
Broederschap onder andere het bezwaar dat het rijbewijs de geboortedatum
en de verdere voornamen van degenen die meer dan één voornaam hebben,
niet voluit vermeldt. Dit bezwaar afwegend tegen het voordeel van
lastenbeperking voor de burger bij aanwijzing van een document dat velen
gewend zijn bij zich te dragen, geef ik er de voorkeur aan ook het
rijbewijs toe te laten als een document waarmee personen die voor de
notaris verschijnen, zich kunnen identificeren. Overeenkomstig het
advies van de Broederschap is verduidelijkt dat kan worden volstaan met
vermelding van het soort identificatiedocument en het nummer aan het
slot van de akte.
9.5.Zwartrjden
rapport bestrijding zwartrjden
Ter bestrijding van het zwartrijden in het openbaar vervoer hebben mijn
ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat en ik op 17 mei 1991 aan de Tweede
Kamer een rapport aangeboden met een reeks van aanbevelingen voor de
aanpak van dit probleem (21 823, nr. 9). Tijdens het mondeling overleg
van 6 juni 1991 heeft de Kamer in grote lijnen ingestemd met de
conclusies van het rapport. Een van de voorstellen betreft de invoering
van een identificatieplicht in het openbaar vervoer (hfdst. 52). Dit
voorstel wordt in het voorliggende wetsvoorstel overgenomen, tezamen
met een verbetering van de strafrechtelijke systematiek. De mogelijkheid
van het gebruik van een identificatieplicht ter bestrijding van het
zwartrijden in het openbaar vervoer wordt met zoveel woorden genoemd in
de adviezen van de RAP en het VNG.
preventie
De invoering van een identificatieplicht ter bestrijding van het
zwartrijden dient ter versterking van het sluitstuk van de handhaving
(civiel-, administratief- of strafrechtelijk). Voorop staat een goede
preventie. Hieraan wordt veel aandacht besteed. De
openbaar-vervoerbedrijven hebben op onderdelen van hun vervoersysteem
(standaardbus en gelede bus) opnieuw het gesloten instapregime ingevoerd
en daardoor een opmerkelijke daling van het zwart- en grijsrijden
bewerkstelligd. Bij tram en metro zijn aan preventie via tourniquets,
gesloten instapregimes of conducteurs hoge kosten verbonden. Daarom
wordt daar getracht ook met andere middelen, zoals verscherpte controle,
de handhaving te verbeteren. Bij de invoering van gesloten
instapsystemen zal prioriteit worden gegeven aan
openbaar~vervoerbedrijvefl die te kampen hebben met een hoog percentage
zwartrijders of met grote problemen wegens agressie in het openbaar
vervoer. In dit kader heeft het Gemeentelijk Vervoerbedrijf van
Amsterdam een plan ingediend voor een gesloten-instapregime bij de
metro. Dit bedrijf heeft sedert begin 1991 ook de conducteur op tramlijn
4 ingevoerd, een experiment dat wordt uitgebreid tot andere lijnen,
zoals zeer onlangs tot lijn 13. Voor 1992 is over diverse experimenten
ter bestrijding van deze agressie inmiddels een principe overeenstemming
bereikt. De plannen van de vervoerbedrijven voor de volgende jaren
worden momenteel nader uitgewerkt. De verwachting is daarover voor het
einde van dit jaar een beslissing kan worden genomen.
identificatieplicht voor zwartrijders
Voor verbetering van zowel de civiel- als de strafrechtelijke handhaving
is een voorwaarde dat aan de hand van een betrouwbaar identiteitsbewijs
kan worden vastgesteld of de zwartrijder inderdaad degene is die hij
zegt te zijn. Het voorliggende wetsvoorstel legt een rechtstreekse
verplichting op de zwartrijder om met bepaalde documenten zijn
identiteit te bewijzen (art. 84a van de Wet personenvervoer; Stb. 1987,
175). Hierdoor wordt voor deze specifieke categorie van verdachten
duidelijk in de wet aangegeven hoe zij aan de verplichting tot
identificatie hebben te voldoen. Omdat voor de controle op zwartrijden
de nationaliteit niet een relevant gegeven is, wordt ook het rijbewijs
als identiteitsbewijs toegelaten Het voorstel in het eerdergenoemde
rapport (bijlage 6) om ook nog andere documenten toe te laten, is niet
gevolgd, omdat dit in strijd zou komen met het uitgangspunt van het
wetsvoorstel om uitsluitend goed beveiligde documenten toe te laten.
Niet-nakoming van de identificatieplicht door de zwartrijder geldt als
een omstandigheid die de straf gesteld op het zwartrijden, verhoogt
(art. 92, tweede lid, Wp). De niet-nakorning van de identificatieplicht
is dus geen zelfstandig strafbaar feit, maar een strafverhogend aspect
van het grondfeit zwartrijden (het gebruik maken van het openbaar
vervoer zonder geldig vervoerbewijs dan wel het niet desgevraagd tonen
of overhandigen van een dergelijk vervoerbewijs aan een controleur of
opsporingsambtenaar; art. 30, eerste lid, jo. art. 92, eerste lid, Wp).
Bij niet-naleving van de identificatieplicht door de zwartrijder blijft
dus sprake van één overtreding. Strafverhoging is gerechtvaardigd, omdat
een verdachte die geen identiteitsbewijs kan of wil laten zien, moet
worden aangehouden en naar het politiebureau moet worden overgebracht
om zijn identiteit op andere wijze vast te stellen. Overigens zal, zoals
iedere verdachte, ook de zwartrijder kunnen worden onderworpen aan de
identificatiemaatregelen die zijn voorzien in het wetsvoorstel over de
anonieme verdachte (19 757). De nu voorgestelde identificatieplicht
voegt hieraan dus de verplichting toe om een bepaald identiteitsbewijs
te tonen.
handhavingsmogelijkheden
Bij het gebruik van vervoerdiensten ligt handhaving via het civiele
recht voor de hand. Deze valt te baseren op de vervoerovereenkomst die
tussen de vervoerder en de reiziger tot stand komt, zodra de reiziger
gebruik maakt van de diensten van de vervoerder. De vervoerder doet een
openbaar aanbod dat door de enkele aanvaarding van de reiziger leidt tot
een vervoerovereenkomst en deswege tot een (privaatrechtelijke)
vervoerplicht van de vervoerder en een plicht van de reiziger tot
tariefbetaling (toelichting op art. 1 Wp; kamerstukken II 1984/85,
18985, nrs. 1-3, blz. 67). In de overeenkomst kan via de algemene
voorwaarden een boeteclausule worden opgenomen.
Daarnaast is er de regeling in art. 34, tweede lid, Wp jo. art. 57 van
het Besluit personenvervoer op grond waarvan een zwartrijder op
vordering van de vervoerder een bedrag verschuldigd is, dat hij tezamen
met de vervoerprijs terstond moet betalen. Er is ook voorzien in de
mogelijkheid van latere betaling van deze bedragen (vervoerprijs plus
verhoging). In dat geval kan het bedrag verder worden verhoogd met
administratiekosten (art. 57, vierde en vijfde lid, Bp). Het resultaat
is daardoor vergelijkbaar met de uitkomst van de benadering waarbij de
reiziger bij niet-betaling van de vervoerprijs op grond van de
vervoerovereenkomst een boete verschuldigd is.
Ten slotte voorziet artikel 92, eerste lid, Wp in de mogelijkheid van
een strafrechtelijke aanpak. Volgens artikel 57, zesde lid, BP vervalt
het recht van strafvervolging, zodra de reiziger aan het bepaalde in de
voorgaande leden van dat artikel voldoet. Het voorgestelde artikel 92a
Wp geeft aan deze bepaling een uitdrukkelijke wettelijke basis.
9.6.Voetbalvandalisme
huidige situatie
Veel problemen in verband met voetbalwedstrijden doen zich voor tijdens
de heen- en terugreis van de supporters van de uitspelende club. Om het
reizen van supporters naar een risicowedstrijd en de confrontatie met
supporters van de tegenpartij zoveel mogelijk tegen te gaan, is door het
toenmalige Landelijk Overleg Voetbalvandalisme (LOV) aanbevolen om
personen uit te sluiten van stadionbezoek door middel van een
toegangscontrole met behulp van een voetbalpas. Deze zg. pasjesregeling
mislukte omdat zij onvoldoende werd gedragen door de voetbalwereld
zelf. Sedertdien zijn door enige betaald-voetbalorganisaties nieuwe
initiatieven ontwikkeld. Het gaat daarbij om de uitgifte van
seizoenkaarten en clubkaarten die geschikt zijn voor elektronische
controle. Deze kaarten hebben nu nog overwegend het karakter van
serviceverlening, maar zij zijn ook bruikbaar voor controle op de
toegang.
In verband met deze initiatieven is in de voortgangsrapportage over het
gevoerde rijksoverheidsbeleid inzake de bestrijding van het
voetbalvandalisme het standpunt ingenomen dat de behoefte aan een
identificatie-plicht in belangrijke mate wordt bepaald door de
mogelijkheden die binnen de voetbalsector zelf worden gevonden voor een
adequaat toezicht op binnenkomende toeschouwers (Kamerstukken II
1990/91, 20 326, nr. 8).
identificatieplicht in verband met voetbalwedstrijden
Het voetbalvandalisme wordt in het regeerakkoord 1989 uitdrukkelijk
genoemd als een situatie waarvoor de invoering van een
identificatie-plicht moet worden overwogen. Al eerder, in 1985, kwam in
het kader van de Raad van Europa de Europese Overeenkomst inzake
gewelddadigheden door en wangedrag van toeschouwers rond
sportevenementen en in het bijzonder rond voetbalwedstrijden, tot stand
(Trb. 1985, 133). Daarin verklaren de lidstaten ernaar te streven de
identiteitsvaststelling te verzekeren van toeschouwers die geweld plegen
of zich te buiten gaan aan ander strafbaar gedrag (art 5). De in het
wetsvoorstel opgenomen identificatieplicht is zo vorm gegeven dat deze
de eigen maatregelen van de betaald-voetbalwereld en het beleid van de
gemeentebesturen niet doorkruist, maar daaraan juist een goede
ondersteuning biedt.
Uitgangspunt van de regeling is dat een identificatieplicht steeds zal
gelden bij voetbalwedstrijden waaraan wordt deelgenomen door een club
uit het betaalde voetbal of door een vertegenwoordigend voetbalelftal
(uitkomend bij bijv. interlands). De alternatieve aanpak van een
algemene identificatieplicht bij alle wedstrijden is niet gevolgd, omdat
het verschijnsel voetbalvandalisme zich voornamelijk voordoet binnen de
sector van het betaalde voetbal. Verder knoopt de regeling niet aan bij
de hoedanigheid van verdachte, zoals dat wel het geval is bij de
identifïcatieplicht voor zwartrijders. Om als verdachte te kunnen
worden aangemerkt moet zijn voldaan aan de eis dat uit feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit
voortvloeit (art. 27 Sv.). Bij het zwartrijden wordt in het algemeen
reeds aan deze eis voldaan als de betrokkene geen geldig vervoerbewijs
kan laten zien. Rondom voetbalwedstrijden is de hoedanigheid van
verdachte minder goed bruikbaar om daarvan de bevoegdheid van de
opsporingsambtenaar (politieambtenaar, spoorwegpolitie) tot het vragen
van een identiteitsbewijs afhankelijk te stellen. Een
identificatieplicht zou dan immers uitsluitend bestaan in de gevallen
waarin de opsporingsambtenaar de betrokkene mag aanmerken als verdachte
van een strafbaar feit. Om die reden is de identificatieplicht gekoppeld
aan de taakvervulling in verband met zowel de opsporing van strafbare
feiten als de handhaving van de openbare orde. Dit biedt de mogelijkheid
om, naast de situaties waarin sprake is van verdenking van een strafbaar
feit, ook bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor
het ontstaan daarvan de betrokkenen naar hun personalia te vragen.
Voor de voetbalwedstrijd kan de voorgestelde identificatieplicht nuttig
zijn, omdat daardoor iedere bezoeker van een voetbalwedstrijd van 1 2
jaar en ouder (art. 77a Sr.) de beschikking zal moeten hebben over een
officieel identificatiemiddel. De stadiondirecties kunnen bij die
wettelijke verplichting aansluiten door in hun privaatrechtelijke
toegangsvoorwaarden de bepaling op te nemen dat de bezoeker naast een
geldig toegangsbewijs ook een officieel identiteitsbewijs moet kunnen
laten zien.
9.7.Binnenlands vreemdelingentoezicht
advies Commissie-Zeeva/king
De huidige wettelijke grondslag voor het uitoefenen van binnenlands
vreemdelingentoezicht door personen staande te houden en naar hun
verblijfspapieren te vragen, is opgenomen in artikel 1 9, eerste lid,
van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40). Volgens deze bepaling bestaat
de bevoegdheid uitsluitend ten aanzien van personen die als een
«vermoedelijke vreemdeling» kunnen worden beschouwd. Aan dit
bevoegdheidscriterium kleeft het ernstige nadeel dat het als het ware
noopt tot een selectie op huidskleur, spraak of andere etnische
kenmerken en dat kan er weer gemakkelijk toe leiden dat
vreemdelingentoezicht op discriminerende wijze óf in het geheel niet
wordt uitgeoefend (Aalberts, Operationeel vreemdelingentoezicht nu en
in de toekomst, Migrantenrecht jrg. 6, nr. 1, blz. 3-7). Om deze reden
wordt in het op 18maart1991 uitgebrachte advies van de Commissie
Binnenlands Vreemdelingentoezicht (Cie-Zeevalking) bepleit de
uitvoerbaarheid van de Vreemdelingenwet op dit punt te verbeteren door
het criterium ((vermoeden van vreemdelingschap» te vervangen door de eis
dat de controle nodig is voor de vervulling van de taak van de politie
bij de uitoefening van vreemdelingentoezicht
wijziging Vreemdelingen wet
Het wetsvoorstel volgt het advies van de Cie-Zeevalking voor wat betreft
deze definiëring van de bevoegdheidsbasis. Niet gevolgd is het voorstel
om degene die wordt staande gehouden in verband met de uitoefening van
vreemdelingentoezicht, te verplichten een document te tonen. Weliswaar
heeft een dergelijke verplichting het voordeel dat het zowel voor de
burger als voor degenen die zijn belast met de uitvoering van toezicht,
duidelijk is welke documenten voor dit controledoel geschikt zijn.
Anderzijds zou daardoor de huidige identificatieplicht voor uitsluitend
vreemdelingen worden uitgebreid tot alle Nederlanders. Dit zou in strijd
kunnen komen met het uitgangspunt van het regeerakkoord dat geen
algemene identificatieplicht wordt overwogen. Wel bepaalt artikel 19,
eerste lid, Vw. in de nieuwe opzet met zoveel worden dat ten aanzien van
degene die zegt dat hij Nederlander is, maar dat niet kan aantonen, de
bijzondere bevoegdheden van de Vreemdelingenwet kunnen worden gebruikt
om de identiteit op andere wijze vast te stellen (ophouden voor verhoor
gedurende zes uur, onderzoek aan kleding en bagage).
actief operationeel toezicht
De totstandkoming van een voor de praktijk beter hanteerbare
bevoegdheidsregeling doet vervolgens de vraag rijzen in welke gevallen
van die bevoegdheid gebruik zal mogen worden gemaakt. Daarbij geldt
uiteraard als randvoorwaarde dat de uitoefening van binnenlands
vreemdelingentoezicht evenredig dient te zijn aan het daarmee te dienen
doel. Ter waarborging van een taakuitoefening die voldoet aan deze
randvoorwaarde, zullen in de uitvoeringsvoorschriften strakke grenzen
worden getrokken waarbinnen het vreemdelingentoezicht zich zal mogen
afspelen. Daarbij zal worden aangesloten bij de aanbevelingen van de
beleidsadviesgroep Vreemdelingenzaken van het Coördinerend
Politie-beraad, die door de Cie-Zeevalking in haar rapport zijn
overgenomen Als situaties waarin de uitoefening van toezicht
proportioneel is, worden o.a. genoemd verstoring van de openbare orde,
veroorzaking van overlast en de gevallen waarin de politie beschikt over
gegronde aanwijzingen omtrent illigaal verblijf (rapport, hfdst. VIII,
par. 16). Ik streef ernaar om met het oog op de behandeling van het
voorliggende wetsvoorstel de aanpassing van de op de artikelen 1 7 t/m
20 Vw. gebaseerde uitvoeringsvoorschriften in de
Vreemdelingencirculaire 1 982 (hoofdstuk A5, Toezicht) tijdig in concept
aan de Kamer te kunnen voorleggen.
sanctionering
De naleving van de verplichting in artikel 19 Vw. om desgevraagd
personalia, nationaliteit en verblijfsstatus op te geven, is voldoende
verzekerd door de eveneens in dat artikel opgenomen bijzondere
bevoegdheden voor de politie om op andere wijze de identiteit van de
betrokkene te achterhalen. In het wetsvoorstel is daarom de afzonderlijk
strafbaar gestelde draagplicht voor uitsluitend vreemdelingen geschrapt
(art. 1 7, eerste lid, jo. art. 44, eerste lid, Vw.). Van een expliciete
draag-plicht met een afzonderlijke strafsanctie is naast een adequaat te
effectueren verplichting tot het noemen van de naam en andere gegevens,
geen winst meer te verwachten. Daarbij komt dat de bestaande regeling
van de draagplicht jaarlijks aanzienlijke aantallen strafzaken tot
gevolg heeft. Deze vergroten wel de werklast binnen de strafrechtsketen,
maar blijken niet effectief te zijn in die zin dat zij resulteren in een
bredere naleving van de verplichting tot het bij zich dragen van een
document.
adviezen
Het CPB stelt in zijn commentaar dat de in het concept-wetsvoorstel
voorgestelde wijzigingen van de Vreemdelingenwet niet leiden tot een
verruiming van de controlebevoegdheden van de politie en daarom geen
tastbare gevolgen zullen hebben voor de dagelijkse politiepraktijk. Ten
opzichte van de bestaande situatie (strafrechtelijk gesanctioneerde
draagplicht voor vreemdelingen) is volgens het commentaar zelfs sprake
van een beperking van de bevoegdheden. De nadelen van de afzonderlijk
strafrechtelijk gesanctioneerde draagplicht zijn hiervoor genoemd.
Voorts valt op te merken dat met de aanpassing van artikel 19 Vw. niet
een verruiming van de bevoegdheid wordt beoogd, maar een verbetering van
de omschrijving van de bevoegdheid om deze voor de praktijk beter
hanteerbaar te maken. In welke situaties van de geherdefinieerde
toezichtbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, zal nauwkeurig in de
uitvoeringsvoorschriften worden aangegeven.
De Coornhert-Liga, de CTW, het LBR en het NCJM vrezen dat ook de nieuwe
bevoegdheidsregeling niet zal kunnen voorkomen dat bij controles juist
personen met een allochtoon uiterlijk om een identiteitsbewijs zullen
worden gevraagd. Naar mijn mening is voor deze vrees minder reden dan
onder de huidige regeling Een non-discriminatoire behandeling is juist
beter gewaarborgd, indien sprake is van een heldere regeling die de
politie er niet langer toe noopt om aan te geven waarom zij meent dat
iemand een «vermoedelijke vreemdeling» is en waarom zij iemand die zegt
Nederlander te zijn, niet gelooft. In de nieuwe opzet wordt met zoveel
woorden aangegeven dat ook personen met de Nederlandse nationaliteit
verplicht zijn hun identiteit en nationaliteit bekend te maken.
De laatstgenoemde adviesinstanties zijn verder van oordeel dat de
voorgestelde wijziging van de Vreemdelingenwet niet voldoet aan het
proportionaliteitsvereiste en dat de inbreuk op de privacy door de
verbetering van het vreemdelingentoezicht niet evenredig is aan het
daarmee te dienen doel. Hiervoor is al aangegeven dat het voorstel tot
verbetering van de bevoegdheidsregeling moet worden gezien in nauwe
samenhang met de voorstellen van de Cie-Zeevalking voor concentratie van
het operationeel vreemdelingentoezicht tot bepaalde aspecten. Het is
uiteraard niet de bedoeling dat de betere uitvoerbaarheid van de
wettelijke regeling gebruikt gaat worden voor willekeurige en
ongerichte controles. Dit zal ondubbelzinnig in de
uitvoeringsvoorschriften worden vastgelegd.
ARTIKELEN
Artikel 1
De documenten waarover een vreemdeling dient te beschikken, worden
aangewezen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet
jo. artikel 54 Vreemdelingenbesluit.
Artikel 13
Deze artikelen wijzigen in een aantal wetten de bepalingen op grond
waarvan men naar zijn identiteit kan worden gevraagd. Daardoor zal deze
identiteitsvaststelling, met uitzondering van de identificatie ten
behoeve van het vreemdelingentoezicht, nog uitsluitend mogen
plaatsvinden met behulp van de documenten die in het wetsvoorstel worden
aangewezen. De bedoelde aanpassingen zijn alle besproken in het algemeen
deel.
Artikel 14
Doel van deze overgangsrechtelijke bepaling is om de controle door de
werkgever van de identiteit van werknemers die bij de invoering van de
verificatieplicht al in dienst zijn, niet in één keer te laten
plaatsvinden, maar te spreiden over een redelijke termijn. Te denken
valt aan een termijn van een jaar. De werklastgevolgen van deze zg.
inhaalslag voor de werkgevers worden hierdoor aanzienlijk beperkt.
lngevolge het eerste lid geldt de verificatieplicht zoals deze in het
wetsvoorstel is geformuleerd, uitsluitend voor nieuwe werknemers. Het
tweede lid bevat een specifieke delegatiebepaling op grond waarvan bij
ministeriële regeling een overgangstermijn kan worden vastgesteld. Voor
de werkgevers in hun hoedanigheid van inhoudingsplichtige zal de
Staatssecretaris van Financiën een parallelle voorziening treffen op
grond van artikel 33 van de Wet op de loonbelasting. Tijdens deze
overgangstermijn rust op de werknemers de verplichting om zich met een
toegelaten identiteitsbewijs volgens nader door de werkgever te geven
aanwijzingen bij hun werkgever te melden, zodat deze ook aan zijn
verificatieplicht ten aanzien van de bestaande werknemers kan voldoen.
Het derde lid brengt de identificatieverplichting van de al in dienst
zijnde werknemers onder de desbetreffende sanctiebepaling (art. 52) van
de Organisatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 15
Voordat de bepalingen die het gebruik van een officieel
identiteitsbewijs voorschrijven, kunnen worden ingevoerd, moet eerst de
nieuwe identiteitskaart verkrijgbaar worden gesteld en moeten degenen
die deze kaart wensen aan te schaffen, voldoende de gelegenheid tot de
aanschaffing daarvan hebben gekregen. Ook in het advies van de CTW wordt
het belang van een toereikende overgangsperiode benadrukt. Bij de
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet zal worden
rekening gehouden met de termijn die nodig is om in het bijzonder
degenen die niet beschikken over een paspoort of rijbewijs, tijdig van
een identiteitskaart te voorzien.
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin