's-Gravenhage, 12 februari 2003
Ons kenmerk: z2002-1486
Onderwerp: wetsvoorstel uitbreiding identificatieplicht
Geachte heer Donner,
U heeft het College bescherming persoonsgegevens (CBP) verzocht om een
advies over het wetsvoorstel uitbreiding identificatieplicht. Hierbij
voldoet het CBP aan uw verzoek.
In dit kader gaat het CBP in op:
- het beoordelingskader van dit advies
- de invoering van een algemene identificatieplicht
- de noodzakelijke registratie van de controles
- de leeftijdsgrens voor verplichte identificatie
- het erkennen van het rijbewijs als identificatiebewijs
- het ontbreken van een voornemen tot evaluatie.
Het wetsontwerp roept een algemene identificatieplicht voor de burger in
het leven die zowel geldt ten opzichte van de politie als ten opzichte
van (andere) toezichthouders. Het CBP concentreert zich in zijn advies
op de verplichting ten opzichte van de politie, aangezien deze de meest
verstrekkende gevolgen zal hebben.
Beoordelingskader
Het CBP beziet het voorliggende voorstel binnen enkele kaders in
onderlinge samenhang: in het licht van artikel 8 EVRM, de wetgeving in
verband met de bescherming van persoonsgegevens en de algemene
uitgangspunten voor de identiteitsinfrastructuur, zoals deze onlangs
door het kabinet zijn vastgesteld. Het CBP betrekt hierbij de nota
'Beperkte uitbreiding van identificatieplichten' van het vorige kabinet.
Relevant voor de beoordeling van het onderhavige voorstel is artikel 8
van het EVRM. Dit artikel stelt bescherming van de persoonlijke
levenssfeer voorop en eist dat iedere beperking van het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op een wettelijke grondslag
berust en geschiedt voor een of meer van de vermelde doeleinden.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de
mens dient de beperking voorts te worden gerechtvaardigd door een
"pressing social need". Dit betekent dat de beperking op het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer slechts kan worden
gerechtvaardigd door een zwaarwegend maatschappelijk belang en in
concreto in overeenstemming zal moeten zijn met de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Het proportionaliteitsbeginsel
houdt in dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet
onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen
doel. Ingevolge het subsidiariteitsbeginsel mag het doel in redelijkheid
niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kunnen
worden verwerkelijkt.
Op het verzamelen en vastleggen van persoonsgegevens is voorts de Wet
bescherming persoonsgegevens (WBP), dan wel voorzover het de registratie
door de politie betreft de Wet politieregisters (Wpolr) van toepassing.
Een belangrijk uitgangspunt in deze wetgeving is dat persoonsgegevens
voor een bepaald doel worden verzameld en dat hierbij niet meer gegevens
worden verwerkt dan voor dit doel noodzakelijk is.
De Wet politieregisters biedt het wettelijk kader om persoonsgegevens
vast te leggen in registers die zijn aangelegd ten dienste van de
uitvoering van de politietaak. Artikel 4 van de Wpolr luidt, voor zover
van belang: het aanleggen van een politieregister vindt slechts plaats
voor een bepaald doel en voorzover dit noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van de politietaak. Het bevat slechts persoonsgegevens die
rechtmatig zijn verkregen en die noodzakelijk zijn voor het doel
waarvoor het is aangelegd.
De nota "Persoonsnummerbeleid in het kader van identiteitsmanagement"
(Kamerstukken II, 2002-2003, 28600 VII, nr. 21) bevat de actuele
inzichten van het kabinet omtrent de omgang met identiteitsvraagstukken.
In deze nota staat het gemeenschappelijke belang voorop dat overheid en
burger hebben bij het vaststellen van diens identiteit. De burger dient
zich in relatie tot de overheid te kwalificeren als een gerechtigde tot
het afnemen van bepaalde diensten of als een burger die aan bepaalde
verplichtingen voldoet. In het algemeen gaat de overheid, in lijn met de
beginselen van de wetgeving voor een zorgvuldige omgang met
persoonsgegevens, uit van het "need to know"-principe. Dat wil zeggen
dat er een geldige reden moet bestaan om van de burger identificatie te
vereisen. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat van de
"niet-kenbaarheid" van de burger. Er moet een specifieke aanleiding zijn
om van de burger identificatie te verlangen. Het belang van een juiste
vaststelling van de identiteit van de burger neemt exponentieel toe met
de ontwikkeling naar een elektronisch overheidsloket. Om die reden
groeit ook de behoefte aan het op ruimere schaal kunnen gebruiken van
een identificerend nummer. De invoering van een burgerservicenummer
onder de voorwaarden als genoemd in de nota Persoonsnummerbeleid is dan
ook een belangrijke bouwsteen voor het identiteitsmanagement van de
overheid. Het CBP onderkent het belang van deze ontwikkelingen en heeft
aan de totstandkoming van dit beleid een actieve bijdrage geleverd. De
uitgangspunten uit de nota gebruikt het CBP als toetsingskader voor het
onderhavige wetsvoorstel.
De discussie over een - beperkte of algemene - identificatieplicht is al
zeker twintig jaar oud. Keer op keer wordt daarbij geconcludeerd dat het
invoeren van een algemene identificatieplicht te ver gaat. Dat gebeurde
bijvoorbeeld door het kabinet Lubbers II. Eind 2001 trok het kabinet Kok
II dezelfde conclusie op basis van een degelijke analyse in zijn notitie
"Beperkte uitbreiding van identificatieplichten" (Kamerstukken II,
2001-2002, 28069, nr. 1 ). In de bijlage bij deze nota is een opsomming
gegeven van de bestaande identificatieverplichtingen. Doorgaans hebben
deze betrekking op de burger als zodanig of als werknemer, dan wel op de
specifieke relatie tussen een vreemdeling en de overheid. Het opleggen
van dergelijke verplichtingen komt overeen met de uitgangspunten in de
nota Persoonsnummerbeleid. Met een strafsanctie worden met name die
situaties bedreigd, waarin de overheid de burger als potentieel
verdachte beschouwt. Het gaat hierbij om het "zwart rijden" in het
openbaar vervoer en bij het optreden in het kader van voetbalvandalisme.
Aan uitbreiding van deze situaties bestond destijds geen behoefte. In
gevallen waarin los van concrete verdenking identiteitscontroles worden
uitgevoerd kunnen zonodig aanvullende identificatiemaatregelen worden
getroffen, concludeerde het toenmalige kabinet.
De invoering van een algemene identificatieplicht
Het voorliggende voorstel betreft de invoering van een permanente
verplichting voor iedere burger vanaf 12 jaar om zich op elke plaats en
op elk moment te kunnen identificeren ten opzichte van politieambtenaren
en andere toezichthouders. Controle op de naleving van deze verplichting
kan zonder specifieke aanleiding en niet gerelateerd aan bijzondere
omstandigheden worden uitgevoerd. Vereist is slechts dat de controle
noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak.
Aan deze verplichting vallen twee elementen te onderkennen. De
draagplicht vergt een permanente inspanning en zorg van de burger om
hieraan te voldoen. De toonplicht ter gelegenheid van controle is een
ander aspect dat als een belasting kan worden ervaren. Dit geldt zowel
in abstracte zin (het besef bij burgers dat zij zich ook zonder concrete
aanleiding ten overstaan van de politie of andere toezichthouders moeten
kunnen identificeren) als in concrete zin (de feitelijke
identiteitscontroles die plaatsvinden, en de registratie hiervan die de
burgers in kwestie overlast kunnen bezorgen). Of dit alles aanvaardbaar
is, mede in het licht van artikel 8 EVRM, hangt af van de motivering die
aan de invoering van deze verplichting ten grondslag ligt.
Het huidige kabinet gaat geheel voorbij aan de destijds breed gedragen
analyse van zijn voorganger en de daarin besloten liggende motivering.
Een dergelijke opstelling getuigt niet alleen van miskenning voor het
staande overheidsbeleid, maar is ook misleidend ten opzichte van de
burger, omdat bewust de argumenten tegen de invoering van een algemene
identificatieplicht worden genegeerd. De toelichting bij het voorgelegde
wetsvoorstel stelt voor de invoering ook geen andere onderbouwing in de
plaats. De door dit kabinet vernomen maatschappelijke roep om een
algemene identificatieplicht in delen van de samenleving - en de
weerslag die deze heeft gevonden in het Strategisch Akkoord - doet
namelijk op zich niets af aan de waarde van deze analyse. De roep als
zodanig vormt in elk geval geen "pressing social need", bezien in het
licht van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat
geldt evenzeer voor de behoefte om een daad te stellen met het oog op
gevoelens van onveiligheid. Het kabinet slaagt er hierdoor niet in om op
toereikende wijze de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, zoals is
vereist ingevolge artikel 8 lid 2 EVRM te rechtvaardigen.
Evenmin doet het voorstel recht aan het door dit kabinet in de nota
Persoonsnummerbeleid onderschreven principe dat voor het invoeren van
een identificatieplicht een toereikende grondslag moet bestaan en dat
"niet-kenbaarheid" van de burger als uitgangspunt geldt. Op grond van
deze nota en het als uitvloeisel hiervan in te voeren
burgerservicenummer kan de overheid identificatie verlangen van de
burger in situaties waarin deze met de overheid voor het afnemen van een
dienst of het nakomen van een verplichting van doen heeft.
Het voorliggende voorstel gaat uit van de burger als te onderzoeken
subject. Het leidt ertoe dat de overheid haar burgers een permanente
verplichting oplegt, zonder daarbij te motiveren waarom niet met
verplichtingen voor specifieke gevallen kan worden volstaan. Waar het
voorstel ook een strafbaarstelling omvat op het niet voldoen aan de
beoogde identificatieplicht vormt het een ongemotiveerde uitbreiding van
de situaties waarin de overheid van het vermoeden van een strafbaar feit
kan uitgaan.
Dit effect wordt versterkt door de door de politie verlangde bevoegdheid
tot het houden van zelfstandige controles ter naleving van de
identificatieplicht. In de reactie van de Raad van Hoofdcommissarissen
op het kabinetsstandpunt uit 2001 is reeds benadrukt dat invoering van
een identificatieverplichting niet zinvol is als deze niet gepaard gaat
met ofwel algehele controles ter zelfstandige handhaving ofwel
stelselmatige controles, die bovendien systematisch worden vastgelegd.
In zijn reactie van 30 januari 2003 op het voorliggende wetsvoorstel
stelt de Raad van Hoofdcommissarissen in te stemmen met het voorstel
onder - onder meer - de voorwaarde van de expliciete toekenning van deze
bevoegdheid. Het is te verwachten dat deze controles de door het vorige
kabinet reeds voorziene discriminatoire aspecten van het voorstel
aanzienlijk zullen versterken. Op de gevolgen van de hiermee gepaard
gaande registraties gaat het CBP in het volgende onderdeel nader in.
Dat met selectievere maatregelen kan en daarom ook moet worden volstaan
volgt uit twee recente ontwikkelingen. De vergelijking met de
gebiedsgebonden wapenwettelijke bevoegdheden dringt zich op. Hierbij
gaat het om een door de actuele situatie ingegeven behoefte van de
overheid om burgers aan de maatregelen van preventieve fouillering te
kunnen onderwerpen. De beperking naar tijd en plaats was ook het kenmerk
van het wetsontwerp incidentele identiteitscontroles in verband met
dreiging van terroristische misdrijven. Het CBP heeft hierover positief
geadviseerd. Dit wetsontwerp wordt, zoals is aangekondigd in de memorie
van toelichting op het onderhavige voorstel, echter ingetrokken.
De conclusie is dat de wetgever schromelijk tekort schiet in de
noodzakelijke onderbouwing van de voorgestelde verplichting in het
algemeen en in de rechtvaardiging hiervan, voorzover deze verplichting
als een inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet
worden beoordeeld. De voorzienbare discriminatoire en stigmatiserende
gevolgen van het voorstel worden niet onderkend. Deze zullen worden
versterkt door de door de politie gestelde eis van toekenning van een op
de identificatieplicht gerichte specifieke controlebevoegdheid.
De registratie van de controles
Het wetsontwerp roept een verstrekkende algemene verplichting voor
burgers en een controlebevoegdheid voor de politie in het leven. Het
gaat hierbij om de uitvoering van de politietaak. Voor de vastlegging
van de verrichtingen dienen, ingevolge artikel 4 Wpolr, de
politieregisters. De vraag hierbij is welke registratie noodzakelijk is
voor een goede uitvoering van de politietaak.
Controles ter zelfstandige handhaving van de identificatieverplichting
brengen een groot risico van discriminerend en daarmee stigmatiserend
optreden met zich mee. Dit geldt voor zowel algemene als stelselmatige
controles. Om dergelijk optreden van de politie te kunnen signaleren,
hiertegen te kunnen optreden en deze eventueel aan een rechterlijke
toetsing te kunnen onderwerpen is echter een goede registratie van het
gebruik door de politie van deze bevoegdheid vereist. Vanuit dit
gezichtspunt kan registratie noodzakelijk worden geacht voor de
politietaak. Registratie van de controles brengt evenwel mee dat wordt
vastgelegd waar, wanneer en onder welke omstandigheden burgers zijn
gecontroleerd. Voor deze controle hoeft geen specifieke aanleiding in
het gedrag van de burger te zijn gelegen, laat staan voor de vastlegging
hiervan. Het kan hierbij dus gaan om optreden dat als zodanig al als een
ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gecontroleerde
personen kan worden aangemerkt. Dit effect wordt versterkt door
registratie van de resultaten van de controles. Enerzijds is dus
controleerbare uitvoering van deze bevoegdheid door de politie geboden,
anderzijds kleven hieraan vanuit het oogpunt van bescherming van de
persoonlijke levenssfeer ernstige bezwaren. Deze spanning is inherent
aan het gegeven dat de politie ingevolge dit voorstel een te ruime
bevoegdheid wordt toegekend.
Voorts schat het CBP in dat een verplichte registratie op grote schaal
zal worden ontdoken. Een dergelijke uitbreiding van de
registratiepraktijk staat immers haaks op het beleid tot het
terugdringen van de administratieve lasten voor de overheid en dus ook
voor de politie. Het niet registreren leidt echter tot
oncontroleerbaarheid van het optreden van de politie tegenover grote
groepen onverdachte burgers. Het kabinet besteedt geen aandacht aan de
wijze van controle van de uitvoering van de naleving van de
identificatieplicht en de vastlegging van de bij de identiteitscontroles
verkregen gegevens en lijkt dit dilemma zelfs niet te onderkennen.
Daarmee roept dit wetsvoorstel een bevoegdheid in het leven die ofwel
oncontroleerbaar zal blijken te zijn, ofwel zal leiden tot een
aanzienlijke uitbreiding van de registratie van het gedrag van
onverdachte burgers.
Leeftijdsgrens
Het CBP is van mening dat het voorstel onvoldoende onderbouwt op welke
gronden al vanaf een leeftijd van 12 jaar een draag- en toonplicht wordt
opgelegd. In de ons omringende landen die een identificatieplicht
kennen, ligt de leeftijdsgrens hoger.
Voor zover een algemene identificatieplicht noodzakelijk wordt geacht,
ligt in ons rechtsstelsel een leeftijdsgrens van 18 jaar als
uitgangspunt voor de hand. Daarmee wordt aangesloten bij de leeftijd
waarop een burger meerderjarig wordt, met de daarbij behorende rechten
en plichten. Ook het volwassenenstrafrecht geldt in beginsel vanaf die
leeftijd.
Indien daar voldoende dragende argumenten voor zijn, zou van de
meerderjarigheidsgrens afgeweken kunnen worden en een algemene
identificatieplicht ingesteld kunnen worden voor burgers vanaf 16 jaar.
Deze leeftijdsgrens sluit aan op hetgeen in sommige ons omringende
landen als ondergrens voor diverse vormen van identificatieplicht is
vastgesteld. Een leeftijdsgrens van 12 jaar zou in Europa een novum zijn
waarvan de noodzaak niet adequaat is onderbouwd.
Rijbewijs als identificatiebewijs
In het wetsvoorstel is het rijbewijs als identiteitsdocument opgenomen.
Dit heeft ontegenzeglijk het voordeel dat er geen aparte
identiteitsbewijzen hoeven worden aangeschaft, indien men al in het
bezit is van een rijbewijs. Het nadeel van een rijbewijs als
identiteitsdocument is echter dat de kwaliteitseisen voor dit document
lager liggen dan die bij het paspoort. Een tweede nadeel is dat de
rijbewijzen niet centraal worden uitgegeven, zoals dat bij de paspoorten
en Europese identiteitskaarten juist wel geregeld is ter voorkoming van
fraude met deze documenten. Op deze manier gaat het rijbewijs fungeren
als zwakke schakel in de identiteitsketen. Om dit te voorkomen dient het
aanmerken van het rijbewijs als identiteitsbewijs vergezeld te gaan van
waarborgen ten aanzien van de fraudebestendigheid van het rijbewijs zelf
en ten aanzien van de procedure met betrekking tot de uitgifte ervan.
Evaluatie en kosten
In het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting ontbreekt
een bepaling ten aanzien van de evaluatie van de met de invoering van
een algemene identificatieplicht samenhangende nieuwe bevoegdheden van
de politie en andere toezichthouders alsmede de toepassing daarvan. Ook
de kosten van de registratie en noodzakelijke controle hierop zijn in
dit wetsvoorstel niet voorzien.
Gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel ten aanzien van de
burger, de risico's die deze bevoegdheid met zich mee kan brengen, zoals
discriminerende toepassing, en die van uitgebreide registraties ten
behoeve van de controle op de toepassing en de meting van het effect van
toepassing van de bevoegdheid, ligt het in de rede om de
identificatieplicht en de toepassing van de daarmee samenhangende
bevoegdheden te evalueren, zowel in termen van nut en noodzaak als ten
aanzien van de maatschappelijke gevolgen en de correcte toepassing door
de uitvoerende organen.
Conclusie
Het CBP heeft dit voorstel bezien in het licht van artikel 8 EVRM, de
wetgeving in verband met de bescherming van persoonsgegevens en de
algemene uitgangspunten voor de identiteitsinfrastructuur, zoals deze
onlangs door het kabinet zijn vastgesteld. Het CBP betrekt hierbij de
nota "Beperkte uitbreiding van identificatieplichten" van het vorige
kabinet.
De conclusie is dat de wetgever schromelijk tekort schiet in de
noodzakelijke onderbouwing van de voorgestelde verplichting in het
algemeen en in de rechtvaardiging hiervan, voorzover deze verplichting
als een inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet
worden beoordeeld. De voorzienbare discriminatoire en stigmatiserende
gevolgen van het voorstel worden niet onderkend. Deze zullen worden
versterkt door de door de politie gestelde eis van toekenning van een op
de identificatieplicht gerichte specifieke controlebevoegdheid.
Om discriminerend en stigmatiserend optreden van de politie te kunnen
signaleren en hiertegen te kunnen optreden is een goede registratie van
het gebruik door de politie en andere toezichthouders van hun
bevoegdheden vereist. Hierbij zijn tegengestelde en daardoor moeilijk
beheersbare effecten te verwachten. Het kabinet besteedt geen aandacht
aan de vastlegging van de bij de identiteitscontroles verkregen gegevens
en lijkt dit dilemma zelfs niet te onderkennen. Daarmee roept dit
wetsvoorstel een bevoegdheid in het leven die ofwel oncontroleerbaar zal
blijken te zijn, ofwel zal leiden tot een aanzienlijke uitbreiding van
de registratie van het gedrag van onverdachte burgers.
Het CBP adviseert u gelet op het voorgaande het wetsvoorstel niet in te dienen.
Hoogachtend,
mr. P.J. Hustinx
voorzitter