Inleiding
In de aanloop naar de totstandkoming van de geldende Wet op de identificatieplicht (WID) heeft het LBR
een actieve rol gespeeld. Zowel op het conceptwetsontwerp als op het uiteindelijk aan de Tweede Kamer
voorgelegde wetsontwerp leverde het LBR commentaar.
Wat in 1992/1993 belangrijk was, is nu van even grote, zo niet grotere zorg: het voorkomen van een
discriminatoire toepassing van de plicht tot het tonen van een identiteitsbewijs. Het LBR heeft bij
verschillende gelegenheden gewezen op een ontstane verharding van zowel het maatschappelijk als het
politieke klimaat jegens etnische minderheden, zelfs al zijn er ook positieve ontwikkelingen, zoals
het recent opgezette Landelijk Bureau Discriminatiezaken Politie, dat op landelijk niveau voor de
afstemming van het discriminatiebeleid van de politie zorgt. Naar onze mening dient voorkomen te
worden dat groepen mensen die vanwege hun uiterlijk of vanwege andere etnische kenmerken afwijken van
de meerderheid van de bevolking, in grotere mate de nadelen van een algemene identificatieplicht
ondervinden.
Het LBR onderschrijft het voornemen van de regering de mogelijkheden tot controle ten behoeve van de
bestrijding van criminaliteit en rechtshandhaving doeltreffender te laten worden. Het huidige
wetsvoorstel verandert de huidige situatie echter wel zeer ingrijpend. Op het ogenblik zijn de
situaties beperkt waarin de politie (waarbij andere toezichthouders nog buiten beschouwing worden
gelaten) identiteitscontroles mag uitvoeren. Het wetsvoorstel staat echter een algemene
identificatieplicht voor. Het LBR meent dat grote aandacht moet worden besteed aan een debat over de
wenselijkheid hiervan, maar dit commentaar is daarop niet gericht.
Wij gaan op dit moment op pragmatische gronden slechts in op de situatie die ontstaat als dit
wetsvoorstel een feit zou moeten worden. Net als de Nederlandse Orde van Advocaten menen wij dat er in
dat geval een aantal waarborgen dienen te worden ingebouwd. Duidelijk zou moeten zijn wanneer
identiteitscontrole redelijkerwijs noodzakelijk is en achteraf dient toetsing, neergelegd in de wet,
door de rechter mogelijk te zijn. Voorts dient in de praktijk aangegeven te worden wat een mogelijke
klachtenprocedure is (deze mogelijkheid dient benoemd te worden in de Memorie van Toelichting bij de
wet).
In het volgende wordt ingegaan op een aantal huidige taken van politie en toezichthouders. Bij de
uitoefening van deze taken worden stringentere eisen gesteld voor identiteitscontrole dan bij het
voorliggende conceptwetsvoorstel het geval is. Gebleken voor- en nadelen op deze rechtsgebieden gelden
dus des te sterker voor het conceptwetsvoorstel.
Strafrecht
De politie heeft momenteel een strafrechtelijke taak. Identificatiecontrole is in een aantal gevallen
mogelijk, maar men dient wel "verdacht" te zijn. In concreto betekent dit dat er een vermoeden van een
strafbaar feit moet zijn.
Op grond van het conceptwetsvoorstel kunnen nu buiten deze situatie om algemene controles worden
gehouden ter zelfstandige handhaving van de identificatieplicht. Identiteitscontrole moet wel
"noodzakelijk" zijn voor de uitoefening van de taak van de politie. In de Memorie van Toelichting
wordt voorts aangegeven dat de politie haar bevoegdheid slechts uit kan oefenen voor zover dat
redelijkerwijs voor de invulling van haar taak noodzakelijk is. Dit is een uitbreiding van de
mogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie.
Het LBR vreest bij de strafrechtelijke handhaving een selectieve toepassing van de
identificatieplicht. Wij vrezen dat de voorgestelde algemene identificatieplicht, om met de woorden
van de minister van Justitie in 1993 te spreken, "noopt tot een selectie op huidskleur, spraak of
andere etnische kenmerken." Van belang is dan ook dat de grenzen waarbinnen de politie haar nieuwe
bevoegdheden kan uitoefenen zo duidelijk mogelijk zijn.
Dat de politie haar bevoegdheid slechts uit kan uitoefenen voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van haar taak noodzakelijk is, dient volgens het LBR zijn weerslag in de wetstekst te
krijgen.In de Memorie van Toelichting dienen voorbeelden gegeven te worden van
zulke gevallen.
Openbare orde en hulpverlening
Naast de strafrechtelijke taak heeft de politie de taak de openbare orde te handhaven. Tot op heden
was daarin identiteitscontrole zoals hierboven geschetst niet mogelijk. Nu is het de kennelijke
bedoeling om ook bij deze tweede taak van de politie de bevoegdheid te scheppen om de identiteit van
personen vast te stellen. Gezien de verharding ten opzichte van allochtonen in de huidige
maatschappij, moeten de grenzen waarbinnen deze taak wordt uitgevoerd helder zijn, zodat geen
willekeurige controles plaatsvinden. Reeds is opgemerkt dat in de wetstekst moet worden opgenomen dat
identiteitscontrole redelijkerwijs noodzakelijk moet zijn en dat een aantal voorbeelden in de Memorie
van Toelichting moet worden opgenomen.
Toezicht (vreemdelingenrecht)
Voorts is er voor opsporingsambtenaren in het vreemdelingenrecht een vreemdelingrechtelijke taak. De
ontwikkelingen in het vreemdelingenrecht laten zien dat het noodzakelijk is voldoende waarborgen tegen
selectieve invoering van de identificatieplicht in te bouwen. Ook bij de vreemdelingrechtelijke taak
(neergelegd in de Vreemdelingenwet 2000) is de bevoegdheid van het vragen naar de identiteit thans
beperkt. Die is slechts toegestaan als er feiten en omstandigheden zijn die, naar objectieve
maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. Hierin behoeft volgens de
Memorie van Toelichting geen wijziging te worden aangebracht.
De ervaringen met de huidige Vreemdelingenwet zijn van belang. In het verleden werd voor aanhouding
het beginsel van 'concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf' geïntroduceerd. Met de invoering van
de Vreemdelingenwet 2000 werd het bestaande criterium verruimd. De volgende eis werd gesteld:'feiten
en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf
opleveren'.
Uit uitspraken over de toepassing van deze eis blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State een zodanige interpretatie geeft, dat toezichthouders de bevoegdheid slechts
non-discriminatoir mogen toepassen.
Sinds 2001 kan er niet meer op rechtmatigheid door de vreemdelingenrechter worden getoetst. De
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nam toen het standpunt in, dat de
vreemdelingenrechter uitsluitend het vreemdelingrechtelijke aspect aan een beoordeling kon
onderwerpen, niet het strafrechtelijk voortraject, ofwel de aanhouding. Toetsing hiervan is zo een
dode letter geworden. Door deze rechtspraktijk wordt aan personen de mogelijkheid onthouden de
rechtmatigheid van hun aanhouding door de rechter te laten toetsen. Van verschillende kanten is
beargumenteerd gesteld dat dit strijd met artikel 5 lid 4 EVRM oplevert.
Het LBR meent dat ten behoeve van duidelijke en stringente uitsluiting van willekeur en discriminatie
bij de uitvoering van identiteitscontroles, de rechtmatigheidtoetsing van een identiteitscontrole door
de rechter in de voorgestane wet dient te worden mogelijk gemaakt en gewaarborgd. Daartoe dient in de
wet duidelijk te worden opgenomen dat bij het vragen naar de identiteit de noodzakelijkheid van de
identificatie altijd moet worden vermeld in het proces-verbaal. Ook de Nederlandse Orde van Advocaten
is deze mening toegedaan. Achteraf dient rechterlijke toetsing mogelijk te zijn naar de rechtmatigheid
van identiteitscontroles.
Conclusie
1.Het LBR meent dat grote aandacht moet worden besteed aan een debat over de wenselijkheid van een
algehele identificatieplicht.
2.Binnen eventuele nieuwe wetgeving moet het zo zijn dat de politie haar bevoegdheid slechts uit kan
uitoefenen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak noodzakelijk is. Dit dient
volgens het LBR zijn weerslag in de wetstekst te krijgen.
3.De rechtmatigheidtoetsing van een identiteitscontrole dient door de rechter in de voorgestane wet te
worden mogelijk gemaakt en gewaarborgd. Daartoe dient in de wet duidelijk te worden opgenomen dat bij
het vragen naar de identiteit de noodzakelijkheid van de identificatie altijd moet worden vermeld in
het proces-verbaal. Achteraf dient rechterlijke toetsing mogelijk te zijn naar de rechtmatigheid van
identiteitscontroles.
4.In de Memorie van Toelichting dient te worden aangegeven dat er een klachtenprocedure bij de politie
is (om meer bekendheid aan deze reeds bestaande praktijk te geven), ook en juist indien van een
proces-verbaal geen sprake is. Het LBR stelt voor dat bij een controle formulieren worden uitgereikt
waarmee men zijn beklag kan doen (gebeurt reeds in Engeland en Wales bij wijze van proef).