Inleiding
Bij brief van 10 december 2002 heeft de minister van Justitie de NVvR om
advies verzocht over een concept-voorstel van wet d.d. 27 november 2002
inzake de uitbreiding van de identificatieplicht. Het advies is
voorbereid door een werkgroep uit leden van de vereniging. Het advies
beperkt zich in dit stadium tot een reactie op hoofdlijnen. Omdat de
wetenschappelijke commissie tot de slotsom komt dat nadere bestudering
van het onderwerp gewenst is behoudt de NVvR zich de mogelijkheid voor
dit advies in een later stadium aan te vullen.
Inhoud voorstel
Het conceptvoorstel van wet houdt in dat de identificatieplicht, die
thans voor een aantal situaties is vastgelegd in de Wet op de
identificatieplicht, zal worden uitgebreid tot een algemene
identificatieplicht. Volgens het conceptvoorstel zal art. 2 van de Wet
op de identificatieplicht komen te luiden:
'Een ieder die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, is verplicht op
de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de
Politiewet, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage
aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien het verzoek tot
inzage wordt gedaan door een toezichthouder op grond van artikel 5:16
van de Algemene wet bestuursrecht.'
Het conceptvoorstel houdt verder in dat ook een geldig Nederlands
rijbewijs als identificatiemiddel kan dienen. In een nieuw art. 447e
WvSr zal een strafbepaling worden opgenomen met betrekking tot degene
die niet terstond voldoet aan een vordering tot inzage. Verder worden de
Politiewet en de Algemene wet bestuursrecht aangepast.
Voorgeschiedenis
De identificatieplicht is een onderwerp dat al geruime tijd in de
belangstelling staat . Op 24 juni 1988 bracht de toenmalige minister van
Justitie een Notitie identificatieplicht uit (Kamerstukken 20 612). Een
verplichting voor burgers om zich desgevraagd te identificeren werd
nodig geacht in het kader van de fraudebestrijding, de opsporing van
strafbare feiten (anonieme verdachten) en de opheffing van de
grenscontroles. De notitie heeft geleid tot een maatschappelijk en
wetenschappelijk debat.
In 1992 is een voorstel voor een Wet op de identificatieplicht ingediend
(Stb. 1993, 660; Kamerstukken 22 694). De regering zag destijds
uitdrukkelijk af van een algemene verplichting tot identificatie. De Wet
op de identificatieplicht verplicht burgers slechts in bepaalde
situaties om zich te identificeren, zoals voetbalsupporters (vgl. art.
435f WvSr), werknemers en uitkeringsgerechtigden en zij die gebruik
maken van financiële dienstverlening en burgers die bij de notaris
verschijnen; daarnaast bestaat een identificatieplicht in het kader van
het vreemdelingentoezicht. Ten aanzien van anonieme verdachten kunnen
maatregelen worden getroffen ter vaststelling van hun identiteit: zie de
bestaande art. 55b en 61a WvSv. In de Wegenverkeerswet was voor
bestuurders reeds een toonplicht van het rijbewijs opgenomen.
Commentaar
Algemene opmerkingen
De NVvR is zich ervan bewust dat in de samenleving uiteenlopend wordt
geoordeeld over het praktisch nut van een identificatieplicht en over de
vraag, of dat nut opweegt tegen de nadelen van een identificatieplicht
voor de burger. De NVvR wenst in dit overwegend politieke debat geen
partij te kiezen, mede omdat de rechter te zijner tijd geroepen kan
worden tot het geven van een oordeel over het resultaat van dat debat.
Wel zijn er vanuit een juridische invalshoek opmerkingen te maken.
Art. 8 lid 1 EVRM beschermt het privé-leven. Het tweede lid van art. 8
staat een inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van dit
recht toe, mits deze inmenging is voorzien bij de wet en in een
democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van een aantal
in dat artikellid genoemde doeleinden. In een advies van mr. G.J.
Wiarda, aangehaald in de eerdergenoemde Notitie identificatieplicht (op
blz. 7-8), werd gesteld dat een algemene identificatieplicht voor een
ieder die zich op de openbare weg bevindt moeilijk verenigbaar is met de
aan het recht op privacy verbonden vrijheid van beweging tenzij blijkt
van een (in de terminologie van het EHRM) pressing social need. Deze
stelling heeft naar de mening van de NVvR nog actuele betekenis.
In het huidige conceptvoorstel van wet (het nieuwe art. 8a Politiewet)
worden politieambtenaren bevoegd verklaard tot het vorderen van inzage
in een identiteitsbewijs 'voor zover dat noodzakelijk is voor de
uitoefening van de politietaak'. Volgens de conceptmemorie van
toelichting (par. 4) is hierbij gedacht aan de handhaving van de
openbare orde en aan de hulpverleningstaak van de politie. Als voorbeeld
wordt aldaar genoemd het bij gelegenheid van dreigende wanordelijkheden
vaststellen van de identiteit van de personen die daarbij aanwezig zijn.
Een zó algemene omschrijving lokt naar de mening van de NVvR in
concrete gevallen discussie uit over de vraag of sprake is van een
pressing social need. De in het conceptvoorstel gekozen formulering
('uitoefening van de politietaak') is ruimer dan het
verdragsrechtelijke begrip pressing social need. Het is van belang dat
de wetgever duidelijk maakt welke onderdelen van de politietaak hij op
het oog heeft. Voor zover het niet mogelijk is de gevallen waarin
identificatie mag worden gevorderd in de wet nauwkeuriger te
omschrijven, beveelt de NVvR aan dat in ieder geval achteraf wordt
vastgelegd voor welk doel de inzage is gevorderd. Zonder dat, zal de
rechter in voorkomende geschillen niet goed in staat zijn te toetsen of
de inmenging in het privé-leven aan het bepaalde in art. 8 lid 2 EVRM
voldoet. Bovendien dwingt een motiveringsverplichting de
politieambtenaar (resp. het toezichthoudende overheidsorgaan) zich
rekenschap te geven van de noodzaak van een afweging of het beoogde doel
de vordering tot identificeren wel rechtvaardigt.
Een voorzichtige opstelling ten aanzien van dit onderwerp behoeft niet
per se voort te komen uit het benadrukken van het privacybelang. Ook de
verenigbaarheid van de voorgestelde regeling met andere grondrechten dan
art. 8 EVRM verdient de aandacht van de wetgever. Wanneer burgers
gedwongen kunnen worden zich te legitimeren wanneer zij aanwezig zijn
bij bepaalde evenementen of op bepaalde plaatsen, kan dit vooruitzicht
hen ervan weerhouden gebruik te maken van de vrijheid van vergadering
(art. 11 EVRM), de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) of de
vrijheid van godsdienstuitoefening (art. 9 EVRM). De inmenging van de
overheid is groot indien, bijvoorbeeld, bij de uitgang van een kerk of
van een verenigingsgebouw naar een identificatiebewijs wordt gevraagd.
In dit verband wordt wel gesproken van het chilling effect van een
identificatieplicht. De NVvR zou gaarne zien dat in de toelichting op
het voorstel van wet aan dit vraagstuk aandacht wordt besteed.
Indien een algemene identificatieplicht dus een plicht die verder
gaat dan de reeds bestaande bijzondere identificatieverplichtingen -
daadwerkelijk bijdraagt aan het voorkómen van strafbare feiten, met
name geweldsdelicten door groepen anoniem blijvende personen, kan de
bescherming van de rechten van andere personen met een zodanige
identificatieplicht gediend zijn. Of een algemene identificatieplicht
inderdaad hieraan bijdraagt, kan de NVvR bevestigen noch ontkennen.
Het probleem is, dat er maar weinig bekend is over de effectiviteit.
Dat bepaalde vormen van identificatieplichten (bijv. voor zwartrijders
in de tram of voor personen die een sofi-nummer opgeven aan een
werkgever e.d.) kunnen bijdragen aan het terugdringen van strafbare
feiten lijkt wel duidelijk. Echter, de beantwoording van de vraag of
een algemene identificatieplicht bijdraagt aan het terugdringen van
strafbare feiten, en wel in die mate dat sprake is van een pressing
social need, zou wetenschappelijk onderzoek en/of vergelijking met
ervaringen in het buitenland vergen. De NVvR stelt een nadere
onderbouwing van de memorie van toelichting op dit punt voor. In het
bijzonder valt op dat geen aandacht is besteed aan de reeds bestaande
mogelijkheid om een strafvervolging tegen een verdachte n.n. in te
stellen, bijv. bij vervolging van deelnemers aan rellen.
Leeftijdsgrens
Het voorstel wil de verplichting tot het tonen van een identiteitsbewijs
laten ingaan bij de leeftijd van 12 jaar (dit houdt kennelijk verband
met art. 77a WvSr). De NVvR vraagt zich af of het door de wetgever
beoogde voordeel van een legitimatieplicht voor de leeftijdscategorie
onder, bijvoorbeeld, 16 jaar wel opweegt tegen de praktische nadelen
ervan (zoals het risico van kwijtraken van legitimatiebewijzen en het
feit dat jeugdigen in deze leeftijdscategorie dikwijls wisselingen van
uiterlijk doormaken, hetgeen leidt tot de noodzaak van spoedige
vervanging van het legitimatiebewijs of tot een slechte herkenbaarheid
van personen).
Meer specifiek vraagt de NVvR zich af of het beoogde voordeel van een
legitimatieplicht voor 12-16 jarigen wel opweegt tegen de ook volgens
de conceptmemorie van toelichting (par. 6) - te verwachten toename van
strafbare feiten die samenhangen met onrechtmatige verkrijging van
identiteitsbewijzen. Jeugdige personen kunnen een gemakkelijk doelwit
vormen voor het afpakken van paspoorten. Dit geldt temeer, nu voor deze
leeftijdscategorie niet is voorzien in een apart identiteitsbewijs. Een
intensivering van het toezicht op illegaal verblijf van vreemdelingen
kan het voor criminelen lucratief maken om identiteitsbewijzen van
(minderjarige) personen af te pakken en, na vervalsing, te verhandelen.
Uitvoering in de praktijk
In dit advies op hoofdlijnen volstaat de NVvR met een enkele opmerking
over de uitvoering in de praktijk. De toelichting op het voorstel van
wet geeft geen indicatie van het aantal te verwachten strafzaken
wegens overtreding van de voorgestelde toonplicht. Afhankelijk van de
wijze waarop de politie en de bestuurlijke toezichthouders gebruik
gaan maken van de voorgestelde bevoegdheid, kan het om grote aantallen
gaan. Het woord 'terstond' in onderdeel II.B (de strafbepaling) doet
vermoeden dat het aanbod om een identiteitsbewijs thuis op te halen en
achteraf te tonen niet voldoende is om strafbaarheid te voorkomen.
In dit stadium is nog niet duidelijk of door middel van richtlijnen
een nadere invulling zal worden gegeven aan de situaties waarin door
de politie gebruik mag worden gemaakt van de voorgestelde
vorderingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor het gebruik hiervan door
de bestuurlijke toezichthouders. Onderdeel IV (de voorgestelde
wijziging van art. 5:16 Awb) moet klaarblijkelijk worden gelezen in
samenhang met het bestaande art. 5:13 Awb: 'Een toezichthouder maakt
van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van zijn taak nodig is.' Voor deze algemene
formulering geldt hetzelfde als hiervoor is opgemerkt ten aanzien van
het voorgestelde art. 8a Politiewet.
De uiteindelijke waardering van het voorstel tot uitbreiding van de
identificatieplicht kan moeilijk los worden gezien van het antwoord op
de vraag, wat de politieambtenaar resp. het toezichthoudend
overheidsorgaan met de verkregen persoonsgegevens gaat doen. Thans wordt
de verwerking van persoonsgegevens geregeld in de Wet bescherming
persoonsgegevens en de Wet politieregisters. Wanneer deze wetten zouden
worden gewijzigd teneinde een ruimere verwerking van persoonsgegevens
mogelijk te maken, kan de waardering van het voorstel tot invoering van
een algemene identificatieplicht anders uitvallen.
Samenvatting
De NVvR onthoudt zich van een oordeel over de politieke wenselijkheid
van invoering van een algemene identificatieplicht. Vanuit een
juridische invalshoek zijn over de voorgestelde wettelijke regeling de
nodige opmerkingen te maken. De meer principiële opmerkingen hebben
betrekking op de verenigbaarheid van het conceptvoorstel van wet met
art. 8 EVRM en de gevolgen van een algemene identificatieplicht voor de
uitoefening van andere grondrechten. De opmerkingen van praktische aard
hebben betrekking op de invulling van het voorgestelde criterium en op
de risico's wanneer, bijvoorbeeld, 12-jarigen worden verplicht steeds
een identiteitsbewijs bij zich te dragen.
Den Haag, 20 februari 2003
Namens de wetenschappelijke commissie van de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak,
F.F. Langemeijer
voorzitter.