Bij identificatieplicht voor prostituees
niet zomaar gegevens vastleggen
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de
Registratiekamer om advies gevraagd over een wetsvoorstel tot wijziging van de
Gemeentewet waardoor een identificatieplicht voor prostituees wordt ingevoerd.
De Registratiekamer is positief over het voorstel, maar wijst erop dat er geen
gegevens mogen worden vastgelegd als dat niet noodzakelijk is.
De nieuwe wet maakt het mogelijk dat de prostituee een ID-document moet tonen
aan een ambtenaar die belast is met de controle op het gemeentelijke
prostitutiebeleid. Dat is nodig voor het effectiever voorkomen en bestrijden van
prostitutie door illegalen en minderjarigen.
De toelichting op het wetsvoorstel geeft blijk van een afweging van belangen
waarbij ook nadrukkelijk het privacybelang is meegewogen. De Registratiekamer is
positief over het wetsvoorstel, maar gaat er van uit dat het niet de bedoeling
is dat gegevens uit het ID-document worden opgeslagen. Het is slechts toegestaan
om gegevens uit het ID-document vast te leggen voor zover dat noodzakelijk is
voor de goede vervulling van de taak van de toezichthouder bij de handhaving van
het prostitutiebeleid. De noodzaak om ID-gegevens vast te leggen dient in het
licht van de privacywetgeving van geval tot geval te worden bepaald. Uit het
wetsvoorstel met toelichting blijkt deze noodzaak niet.
Brief
Minister van Justitie
De heer mr. A.H. Korthals
Postbus 20301
2500 EH DEN HAAG
19 april 2000, 5025072/99/6 mr. J. de Zeeuw
..'s-Gravenhage, 11 mei 2000
. Ons kenmerk z2000-0394-02
. Onderwerp identificatieplicht voor prostituees
Geachte heer Korthals,
Bij brief van 19 april 2000 heeft u, mede namens de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, de Registratiekamer om advies gevraagd over een
voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet (identificatieplicht voor
prostituees). De Registratiekamer voldoet hierbij gaarne aan uw verzoek.
Op 1 oktober 2000 zal de wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek
van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen
bordeelverbod) in werking treden. Het huidige en toekomstige prostitutiebeleid
is onder meer gericht op voorkoming en bestrijding van prostitutie door
illegalen en minderjarigen. Gemeentelijke voorschriften bieden mede een
grondslag voor de aanpak daarvan. Een identificatieplicht voor prostituees wordt
wenselijk geacht om een effectieve handhaving van het gemeentelijk
prostitutiebeleid te verzekeren. Het onderhavige wetsvoorstel roept een
bijzondere identificatieplicht in het leven voor de handhaving van gemeentelijke
voorschriften inzake de exploitatie van een seksinrichting, waardoor ook
rechtstreeks bij de prostituee de inzage van een ID-document kan worden
gevorderd door de ambtenaar, belast met de controle op de APV. Hiertoe wordt
voorgesteld artikel 151a van de Gemeentewet te wijzigen. Aan het eerste lid
wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:
2. De ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht uit te oefenen op de naleving
van de in het eerste lid bedoelde voorschriften, zijn bevoegd, voor zover dit
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, van degene die seksuele
handelingen met een derde tegen betaling verricht, inzage te vorderen van een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
De toelichting bij het wetsvoorstel bevat een analyse van bezwaren en voordelen,
die naar het oordeel van de Registratiekamer bijdraagt aan een mede in het kader
van privacybescherming goede en verantwoorde afweging van het voorstel.
De voorgestelde bepaling is zodanig geformuleerd dat aan de toezichthouder een
bevoegdheid tot het vorderen van inzage wordt toegekend. In de Wet op de
identificatieplicht van 9 december 1993 is in het algemeen een andere
systematiek gehanteerd bij het vestigen van zelfstandige identificatieplichten
op deelterreinen. Een voorbeeld is artikel 29 van de Wet op de loonbelasting
1964 waarin aan de betrokkene expliciet de verplichting wordt opgelegd een
ID-document ter inzage te verstrekken en een afschrift daarvan in de
loonadministratie te laten opnemen. De omstandigheid dat de omvang van de
verplichting voor de betrokkene mede zou kunnen worden afgeleid uit een
corresponderende bepaling die is gericht op degene die inzage in het ID-document
verkrijgt, heeft in het kader van die bepaling aanleiding gegeven tot
jurisprudentie. De Registratiekamer neemt aan dat gelet op de inbedding van de
voorgestelde bepaling in de systematiek van Afdeling 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht het verschil in formulering geen reden zal zijn voor een verschil
in interpretatie wat betreft het bestaan van een identificatieplicht voor de
betrokkene.
De Registratiekamer gaat er van uit dat de voorgestelde identificatieplicht geen
vastlegging van aan het ID-document te ontlenen gegevens beoogt. Het gaat bij de
voorgestelde bepaling om de bevoegdheid tot het vorderen van inzage van het
ID-document. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad omvat het ter inzage
verstrekken van een identiteitsbewijs in de zin van artikel 29, eerste lid, van
de Wet op de loonbelasting 1964 in ieder geval niet mede de verplichting om een
afschrift van dat identiteitsbewijs te verstrekken en evenmin de verplichting
toe te staan dat daarvan een afschrift wordt gemaakt. Het omvat wel tenminste
het tonen van het ID-bewijs ten einde de werkgever in staat te stellen daaruit
gegevens over de identiteit in zijn administratie op te nemen.
De Registratiekamer wijst er op dat het slechts toegestaan is gegevens vast te
leggen die worden ontleend aan het ID-document voor zover dat noodzakelijk is
voor de goede vervulling van de taak van de toezichthouder bij de handhaving van
het prostitutiebeleid. De noodzaak om zodanige gegevens vast te leggen dient in
het licht van artikel 18 van de Wet persoonsregistraties (c.q. artikel 4 van de
Wet politieregisters) en artikel 8 sub e van het wetsvoorstel Bescherming
persoonsgegevens van geval tot geval te worden bepaald. Uit het wetsvoorstel met
toelichting blijkt niet dat het voor de toezichthouder steeds nodig zal zijn om
gegevens vast te leggen die worden ontleend aan het ID-document.
Gezien de tekst van het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting
heeft de Registratiekamer op grond van haar taak ingevolge de Wet
persoonsregistraties en in het licht van het in artikel 8 EVRM geregelde
grondrecht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen aanleiding tot
het maken van nadere opmerkingen over de vestiging van een identificatieplicht
als door het onderhavige wetsvoorstel bedoeld.
Hoogachtend,